U bevindt zich hier: Ufo's

We lazen in Jesaja 14: 3 dat de terugkeer van het volk Israël naar zijn eigen beloofde plek een bijzondere dag was. Hier in vers 4 lezen we dat het spotlied op de koning van Babel op die dag aanving.

Jesaja 14: 4 dat gij dit spotlied op de koning van Babel zult aanheffen: Hoe heeft de drijver opgehouden, opgehouden is de verdrukking!
Deze koning van Babel is de persoon die in de toekomst deze harde dienst aan Israël zal opleggen. Het rijk Babel in dit vers is één en dezelfde als het Babylon in het boek Openbaring.

Willen we nu in Jesaja 14: 12 de persoon van satan plotseling inlezen moeten we goed beseffen dat dit ene vers slechts een klein onderdeel is van dit uitgebreide spotlied op de koning van Babel. Met dit ene beginakkoord in vers 4 wordt dus eigenlijk al de bom onder het theologisch bouwwerk, dat ‘Lucifer’ heet, gelegd.

Wat op zich al heel typerend is, is het feit dat op het moment dat Jesaja dit opschreef Babel nog totaal onbelangrijk was. De werkelijk belangrijke macht in die dagen was Assyrië. Babel werd pas belangrijk in de dagen van Jeremia. Dat is zo’n 130 jaar later. We moeten echter goed beseffen dat Jesaja hier over het hoofd van koning Nebukadnezar, die ten tijde van Jeremia komt te regeren, heenkijkt naar de tijd dat de Dag van Yahweh aanbreekt.

Koning Nebukadnezar van Babel heeft zich trouwens ook nooit enige mate van goddelijkheid toegekend. Echt nooit! De persoon waar Jesaja 14 over schrijft past volledig op de komende koning van Babel, de mens van zonde, de antichrist.

Ook heeft zich nooit dat gigantische herstel van Israël voltrokken, zoals we die in de eerste drie verzen van dit hoofdstuk beschreven vinden. Ook zijn nooit de omliggende volkeren van Israël echt zo bevriend geraakt met Israël omdat ze de geweldige heerlijkheid van Yahweh in dat volk herkenden. Toch lezen we daar wel over in de eerste drie verzen. Nee, er is altijd vijandschap geweest van de broedervolken.

Dit spotlied is in het Hebreeuws: ‘mashal’. Dit is een algemene benaming voor een poëtische stijl bij de Hebreeën. Hier valt dan ook elke poëtische soort onder, schakerend van diepzinnig, hoogstaand, algemeen, tot parodiaal, spottend, cabaretesk. Al de vele stijlen vallen onder dit Hebreeuwse woord ‘mashal’. Gelijkenissen, psalmen, spreuken, zoals die van Salomo, zijn altijd korte uitdrukkingen in puntige zinnen. Vaak moet je het figuurlijk opvatten, waarbij de vorm een vergelijkend plaatje van de werkelijkheid is. Dat was even een korte uitleg van de Hebreeuwse dichtkunst, zoals dat allemaal kan vallen onder ‘mashal’.

Het werkwoord ‘mashal’ betekent ‘heersen’ of ‘regeren’, maar ook ‘gelijk stellen’ oftewel ‘het één met het ander vergelijken’. Het zijn dus gelijkenissen, die met gezag uitgesproken worden. Een voorbeeld hiervan zie je in de eerste profetie van Bileam.
Numeri 23: 7 – 10 Toen hief hij zijn spreuk aan en zei: Uit Aram voerde mij Balak, Moabs koning, uit de bergen van het Oosten: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, verwens Israël. Hoe zal ik vervloeken, die El niet vervloekt? Hoe zal ik verwensen, die Yahweh niet verwenst? Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem, van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, een volk, dat alleen woont en onder de natiën zich niet rekent. Wie telt het stof van Jakob en wie berekent de drommen van Israël? Sterve ik zelf de dood der oprechten en zij mijn einde daaraan gelijk!

Ook deze spreuk van Bileam heet ‘mashal’. Maar hier vinden we nauwelijks een figuurlijke stijl terug. Het is mooi krachtig. De hele vorm en manier van spreken getuigt van een krachtige geest vol gezag en energie. Ook de laatste toespraken van Job in de hoofdstukken 27 – 31 aan zijn drie vrienden worden ‘mashal’ genoemd.
Job. 27: 1 En Job ging voort zijn spreuk aan te heffen en zei:

Toch onderscheidt het gedeelte, vanaf dat het een ‘mashal’ genoemd wordt, zich niet van hetgeen eraan voorafgaat. Het geheel valt als het ware onder deze poëtische vorm.
Als ik het hele betoog van Jesaja 14 lees valt mij wel op dat de woordspelingen, die ik aan het cabaret zo leuk vind, hier ook rijk vertegenwoordigd zijn om de val van Babel te bezingen.

De koning van Babel wordt de onderdrukker van de volkeren. Hij overwint en verwoest. Hij rijst tot grote hoogte in macht. De profetie laat echter zien dat zijn val nog veel groter zal zijn. ‘de verdrukking is opgehouden’ zegt de NBG vertaling hier in Jesaja 14: 4.

Het Hebreeuwse woord ‘madhebah’ voor ‘verdrukking’ is echter letterlijk: ‘de gouden stad’. Dat is een Chaldeeuws woord. Bij onze vertaling is het ‘verdrukking’ geworden omdat de Vulgaat er ‘tributum’ van heeft gemaakt. Je kan wel zeggen dat de welvaart van dit economisch bolwerk van de toekomst ervan afdruipt. Wellicht kunnen we dit wel al als de eerste woordspeling in dit spotlied zien. ‘Jij dacht ons te verdrukken. Dat is afgelopen. Je dacht er ook nog een leuk slaatje uit te slaan. Dat is ook afgelopen’. Die gouden stad, die gigantische economische welvaart is ten einde.

Trouwens, een aardige gedachte om de overdenkingen over dit vers mee af te sluiten: Satan heeft nooit een gouden stad bezeten en in de profetieën komt dat er ook nooit van. Weer een misser voor het theologisch bouwwerk over Lucifer.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende