Gods Maaksel 15

Momenteel Is In Christus De Wet Buiten Werking

Efeze 2: 10 Want Zijn [Christus] maaksel zijn wij,
Efeze 2: 14 Want Hij
[Christus] is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt.
Efeze 2: 15 De twee tot
één nieuwe mens te scheppen,
Efeze 2: 22 In wie
[Christus] ook jullie mee gebouwd worden tot een woonstede Gods in de Geest.

Efeze 2: 15 doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen,

We zijn in Christus, de Opgestane, in een volkomen vrijheid geplaatst.
Houdt dit nu in dat die wet verkeerd, slecht, verdorven of ongeestelijk is? Nee, waar God zelf de Auteur van is kan op zich niet slecht zijn. God had die wet, die geboden en die inzettingen aan Zijn volk gegeven. Als wij genieten van de beelden van Christus in het Oude Testament zoals in de Tabernakel, dan geniet we feitelijk van inzettingen van God.

Wij kunnen nu achteraf zien dat die inzettingen van God geestelijke lessen bevatten. Dat komt omdat wij nu over de schaduw van die inzettingen heen kunnen zien naar de werkelijkheid in Christus. Nu wij echter zelf die werkelijkheid, die Christus is, persoonlijk kennen gaan we niet opnieuw die schaduw van de wet opzetten. Die is teniet gedaan.

Er waren inzettingen verbonden aan de tempeldienst. Dat kwam tot uiting in de verschillende wassingen. Dat kwam tot uiting in de verscheidenheid van de vele offers. Aan al die vele offers waren verschillende voorwaarden verbonden. Een priester kon ook niet zomaar een dergelijke dienst doen. Hij moest op een bepaalde manier wassingen verrichten. Hij moest volgens voorschrift gezalfd worden. Dat alles waren ‘dogmata’ oftewel de inzettingen van de wet.

Onze tijd, oftewel de huishouding van het geheimenis, is nergens in Gods profetisch programma terug te vinden. In onze huishouding is dankzij het werk van Christus die wet van de geboden, die in inzettingen bestaat, volledig teniet gedaan. Dat was niet in de tijd van de Evangeliën, het was zelfs geen feit in de tijd van het Nieuwe Verbond (Romeinen 3: 31). Het is uitsluitend een kenmerk van onze huishouding van het geheimenis.

Straks, in de Grote Verdrukking, zullen alle inzettingen en geboden van God, zoals die in de wet van God naar voor komen, weer hun volle betekenis krijgen. De wet is dan namelijk niet buiten werking gesteld, ook al is er sprake van gelovigen. Waarom is die wet nu wel buiten werking gesteld terwijl die wet in de tijd van de Handelingen en ook straks weer zijn volle input heeft? Wat veroorzaakt dit grote praktische verschil?

Er bestaat nu een verborgen groep gelovigen die uit alle denkbare schakeringen, waaronder jood en heiden oftewel besneden en de voorhuid, tot één nieuwe mens gevormd wordt. Deze verborgen groep mensen is het Lichaam van Christus. Deze groep mensen is dankzij haar eenwording met Christus in Zijn opstanding en verheerlijking tot een groep burgers van de hemelen geworden. Onze wandel is daar in het hemelse. Voor een jood is zijn burgerschap van Israël afgedaan en voor een heiden is dat idem dito voor het burgerschap van zijn land.

Voordat Paulus aan het eind van Handelingen de openbaring van God ontving betreffende de huidige gemeente, hadden de joden hun eigen plek in het plan van God evenals de heidenen. Nadat wij straks weer van het aardse toneel vertrokken zijn en God Zijn plan met Zijn aardse volk en de volkeren verder zal uitwerken, dan zal dat opnieuw in overeenstemming zijn met hun eigen plek hier op aarde.

Onze plek is feitelijk niet aards. Onze wandel is ook niet aards. Telkens lezen we over onze hemelse wandel, ons hemels burgerschap. De wet is dan ook niet teniet gedaan hier op aarde (Romeinen 3: 31). De wet is teniet gedaan vanwege onze bijzondere plek in Christus in de hemelen (Efeze 2: 15).

Als God straks Zijn plannen met Zijn aardse volk Israël zal voortzetten, dan zal het Nieuwe Verbond zijn volle uitwerking weer hebben. Dan zal God Zijn wet in hun harten schrijven (Jeremia 31: 33). De wet zal dan haar eigenlijke plek dus weer opnieuw innemen.

In onze tijd van de overweldigende rijkdom van Gods genade mag een ieder van ons nu zeker weten dat de wet van de geboden, die in inzettingen bestaat teniet gedaan is. Deze wet was de uiterlijke belichaming van het Woord waarmee God Zich aan Zijn aardse volk Israël had verbonden. Die wet drukte de speciale band tussen God en dit volk uit. Het veroorzaakte dus een groot onderscheid tussen jood en heiden.


Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende



(C) 2005 - Alle rechten voorbehouden

Deze pagina afdrukken