U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan
Terug naar: Startpagina
Algemeen: Mijn spreekbeurten Gedichten Overzicht geopende bestanden 2 Bijbelverwijzingen 3 Bijbelverwijzingen 2 Bijbelverwijzingen Alle Onderwerpen Overzicht geopende bestanden Contact

Zoeken naar:

De brief aan de Romeinen 4

Er is niemand rechtvaardig. 3e & laatste aspect

We hebben naar de hele samenleving gekeken en daarna kwam de ethische mens er ook nog bij. Tja en dan komt nu de religieuze mens. Nog voordat de Jood ook maar zijn mond kan openen, maakt Paulus daar al een eind aan. Romeinen 2 vers 9-10
Verdrukking en benauwdheid over elke ziel van een mens die het kwade werkt, eerst van de Jood en ook van de Griek; maar heerlijkheid, eer en vrede voor ieder die het goede werkt, eerst voor de Jood en ook van de Griek.
Het enige onderscheid dat we hier lezen is de volgorde, de Jood komt eerst en pas daarna de heiden. Eerst degene die kennis heeft van de wet en daarna de onwetende. Deze volgorde geldt dus niet alleen voor de heerlijkheid, maar ook voor het oordeel. Want, zegt Paulus, en dat is belangrijk:
Vers 11 Want er is geen aanzien des persoons bij God.

Door de eeuwen heen heeft de mens getracht aan het oordeel te ontkomen door allerlei vormen van religie. Variërend van afgodendienst, inclusief allerlei offers, tot christelijke (afgoden)dienst, waarbij men God gunstig wil stemmen door allerlei vormen van opoffering, bv vasten of aanhoudend bidden of andere eigen werken. Maar ook deze werken kunnen God niet behagen.
Er komt een dag dat God het verborgene van de mens zal oordelen door Christus Jezus, naar mijn evangelie (vers 16).
Dat evangelie van Paulus vinden we al in hoofdstuk 1:16-17.

Vanaf Romeinen 2 vers 17 pakt Paulus de Joden pas werkelijk aan:
Jullie die steunen op de wet, ja de wet ook kent. Meer nog jullie die jezelf zien als leidsman van blinden en licht voor hen die in de duisternis zijn. Ja dat hadden ze ook wel moeten zijn, maar alleen kennis van de wet maakt je nog niet tot een leidsman.
Paulus stelt ze aan de kaak in vers 21:
U dan die een ander leert, leert u zichzelf niet?

Het eerste onderwijs van wat dan ook is je eigen leven. Als dat niet in orde is maak je de boodschap tot een aanfluiting, en dat gebeurde dus ook bij Israël. Vers 24:
Want om u wordt de naam van God onder de volken gelasterd, zoals geschreven staat.
Paulus zegt niets nieuws, dit wisten ze allang. Ezechiël 36:20-23. In Ezechiël zien we het volk nadat het uit haar eigen land is weggevoerd. In de andere landen waar ze komen is hun handel en wandel voor de bewoners (heidenen) een reden om God te lasteren. Wat een verschil met het begin. In Jozua 2 lezen we de geschiedenis van Rachab de hoer van Jericho. Zij heeft de verspieders verborgen omdat.. vers 9
Ik weet dat de Here u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sidderen. Want...
en dan noemt Rachab alles op wat de Here God voor Israël gedaan heeft in de woestijn en komt zo tot de volgende conclusie vers 11b
Want de Here, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden.
Zo had het moeten blijven; Rachab was niet onder de indruk van Israël, maar van de God van Israël.
En hier is Israël ver van afgeweken. Paulus zegt dan in vers 25:
Want besnijdenis is wel nuttig als u de wet doet, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden.
Die uiterlijke besnijdenis zegt helemaal niets, waar ligt je hart! De besneden Joden konden vreselijk neerkijken op de heidenen, die zij onbesneden honden noemden. Maar hier noemt Paulus hen onbesnedenen.
Vers 28-29: Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in het vlees, maar hij is een Jood die het in het verborgene is, en dat is de besnijdenis: die van het hart, naar de geest, niet naar de letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God.
Jood betekent letterlijk “God lover”. En hier laat Paulus zien wie daadwerkelijk die naam mag dragen, dat is degene die lof van God ontvangt.

Door de hele Romeinenbrief heen stelt Paulus zelf de vragen, die onmiddellijk bij de lezer opkomen. Zo ook hier in Romeinen 3:1
Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?
Je zou uit het voorgaande op kunnen maken dat het allemaal nutteloos is. Of nog erger het verzwaart de schuld. Maar dat is niet het hele verhaal.
Het antwoord van Paulus: Vers 2
Veel in elk opzicht, en wel in de eerste plaats dat hun de woorden van God zijn toevertrouwd.
Dat is zo veel, zo groots dat er verder eigenlijk niets meer komt. Dit is het in de eerste plaats, maar ook in de laatste plaats, dit is alles omvattend. Hier is alles mee gezegd!
Wat is dat dan “de Woorden Gods”?
Als we lezen wat geschreven staat in Johannes 1, begrijpen we iets meer van de grootte van dit geschenk.
Joh.1:1 In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.
Alles begon met het Woord. Toen alleen God er was, was ook het Woord, want het Woord was God. God liet zich kennen door het Woord. Dat is bij ons niet anders. Willen we iemand leren kennen, dan moeten we niet alleen naar hem kijken, maar vooral ook luisteren. God is de Onzienlijke, de enige manier om Hem te leren kennen is door wat Hij gezegd heeft, dus door het Woord. Door het Woord openbaart Hij Zichzelf. De Here Jezus noemt zichzelf het Woord en Hij is het beeld van de Onzienlijke. Dus ook het Woord is het beeld van de Onzienlijke.
We hebben in Romeinen 1:20 gezien dat we de eeuwige kracht en goddelijkheid uit de schepping, dus uit Gods werken, kunnen doorzien, maar Hemzelf leren we kennen door het Woord.
Dit is dus het grootste geschenk dat God gegeven heeft, in de eerste plaats aan zijn volk, maar nu ook aan ons.

God heeft zichzelf als het ware overgegeven aan zijn volk. Maar deze zijn niet trouw gebleven aan het Woord. Ze hebben het verdraaid en tot een zware last gemaakt. Zal dit werk van Israël dan het werk van God te niet doen? Of zoals we lezen in Romeinen 3:3
Wat dan? Als sommige ongelovig (ontrouw) zijn geweest, zal hun ongeloof (ontrouw) de trouw (het geloof) van God te niet doen?
Nee, natuurlijk niet; Vers 4
Maar God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig. Zie ook Psalm 116:11.
Doordat Adam de keuze maakte voor de satan, die de leugenaar is van den beginne en de vader der leugen, zijn alle nakomelingen van Adam leugenaars geworden. Dat is een hard oordeel over de mens in het algemeen en in dit geval over de Joden in het bijzonder. Onze leugen staat dus ook in schril contrast met Gods waarheid of zoals we lezen in vers 5
Dat onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt.

Wij zijn niet in staat God tot een leugenaar te maken, Zijn waarheid wordt alleen maar groter.
Als dat zo is, dan is dat toch alleen maar goed? Dan zouden we steeds meer moeten zondigen, moeten liegen, want dan wordt Gods eer daarmee gediend. Als je zo redeneert heb je niets begrepen van Gods genade en liefde. Paulus zegt daarvan alleen maar in vers 8b
Het oordeel over hen is rechtvaardig.
Vers 9 : de conclusie:
Wat dan? Zijn wij uitnemender? Helemaal niet. Wij hebben immers tevoren zowel Joden als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn.
En dan volgt er een gedeelte dat door een verkeerde vertaling al voor veel verwarring heeft gezorgd.
In de meeste vertalingen staat het volgende:
Romeinen 3:10-12 Er is geen rechtvaardige, ook niet één; er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken; samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één.

Zo op het oog leert dit Schriftgedeelte ons in de eerste plaats dat er niemand rechtvaardig is en verder dat er niemand verstandig is, niemand God zoekt en niemand goed doet. Hele volksstammen hebben dit toegepast in hun leven en ook in de opvoeding van hun kinderen. Denk je van jezelf dat je verstandig bent? Helemaal fout, de bijbel leert dat dat niet kan, want niemand is verstandig! Denk je dat jij God gezocht hebt? Dat kan niet, geen idee wat je gezocht hebt, maar God in ieder geval niet, dat kan niet want niemand zoekt God! Oh, je denkt dat je goed doet, dat kan helemaal niet! Stel je voor er is niemand die goed doet. Als jij denkt dat jij of iemand anders goed doet, dan heb je het helemaal mis, want er is niemand die goed doet! Dus geen complimentjes geven, want je hebt niets goeds gedaan!
Deze gedachte die zo bijbels lijkt, maakt ons zelfvertrouwen en het zelfvertrouwen van onze kinderen helemaal kapot. Er blijft geen stukje van mij heel. Is dat wat God wil, dat we een hekel aan onszelf krijgen? Dat geloof ik niet, we moeten immers onze naaste liefhebben als onszelf. God gaat er gewoon vanuit dat we onszelf liefhebben.
Deze vertaling klopt dan ook niet helemaal.

Laten we zien wat de meest letterlijke vertaling is:
Gelijk geschreven staat dat er niemand rechtvaardig is, ook niet één; niet de verstandige, niet de God zoekende, allen zijn tezamen afgeweken, onbruikbaar gemaakt, dus ook niet die goed doet, niet tot één toe.
Kijk dat klinkt al heel anders, en veel meer in overeenstemming met het voorgaande. We hebben immers gezien dat de rechtvaardigheid niet bereikbaar was door middel van verstand, religie of ethiek. Het is dan ook de conclusie van al het voorgaande wat we hier lezen. Niemand is voor God rechtvaardig, zelfs niet als iemand verstandig is of God zoekt of zelfs goed doet. Iedereen is namelijk afgeweken en onbruikbaar geworden, niemand uitgezonderd. We hoeven dit gedeelte niet zwaarder te maken dan het al is. We lezen hier dat de hele wereld strafschuldig staat voor God (vers 19). Oftewel we komen tekort aan de gerechtigheid. We kunnen nog zo'n mooie wet opstellen, wat voor wet dan ook, maar op grond van werken der wet (zelfs al is het Gods wet) zal geen enkel vlees voor Hem gerechtvaardigd worden. Het enige wat de wet kan doen is ons kennis van de zonde bijbrengen.

Wat een trieste boodschap. Is er dan geen enkele mogelijkheid om bij God gerechtvaardigd te worden? Gelukkig wel.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Ga naar: De brief aan de Romeinen 2 De brief aan de Romeinen 3