U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan
Terug naar: Startpagina
Algemeen: Mijn spreekbeurten Gedichten Overzicht geopende bestanden 2 Bijbelverwijzingen 3 Bijbelverwijzingen 2 Bijbelverwijzingen Alle Onderwerpen Overzicht geopende bestanden Contact

Zoeken naar:

De brief aan de Romeinen 18

Oordelen

In Romeinen 14 bespreekt Paulus een belangrijk onderwerp, nl. het elkaar beoordelen en vooral veroordelen. Dit onderwerp is zo belangrijk in de bijbel dat we het op veel plaatsen tegenkomen. De Korinthe brief staat er vol van, maar ook in de Efeze brief en met name in de Kollosse brief wordt het als belangrijk voor onze wandel genoemd. Maar ook Jacobus spreekt erover in zijn brief en ten slotte, of eigenlijk natuurlijk als eerste, ook onze Here Jezus Christus.

Het oordeel is alleen voor God. Hij is de enige rechter. Met één uitzondering, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gelezen; de overheid is een instelling van God en draagt het zwaard niet tevergeefs. Maar hier zijn het geen personen die mogen oordelen, maar de overheid als instituut. Een aardse rechter spreekt oordeel binnen de wet en namens het volk en, vaak zonder het te weten, namens God. Dat betekent niet dat het oordeel altijd klopt, het blijft mensenwerk. In dit gedeelte gaat het echter niet over dergelijk oordeel, maar over het oordelen van je naaste. In Romeinen 2:1 spreekt Paulus deze oordelende mens al aan:
Daarom bent u niet te verontschuldigen, mens, wie u ook bent die oordeelt; waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u zichzelf; want u die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.

In het Johannes evangelie hoofdstuk 8 lezen we de geschiedenis van de overspelige vrouw. Op meesterlijke wijze laat de Here Jezus zien, dat voordat je naar een ander kijkt, je eerst naar jezelf moet kijken. De Farizeeën brachten een vrouw bij de Heer, die betrapt was op overspel. Volgens de wet moest zij gestenigd worden. Zou de Heer genade toepassen en daarmee de wet opzij schuiven? Deze farizeeën waren niet begaan met het lot van de vrouw, maar probeerden de Here Jezus onderuit te halen, zodat ze Hem konden aanklagen. Maar wat zegt de Here Jezus vers 7:
Wie van u zonder zonde is, laat die het eerst een steen op haar werpen.
De farizeeën waren nog wel zo eerlijk om één voor één weg te lopen. Waarin gij een ander oordeelt oordeelt gij uzelf.

Romeinen 14 begint met de zwakke in geloof. Daar wordt heel verschillend over gedacht. Wie is de zwakke en wie is de sterke? Nou ja dat is natuurlijk wel duidelijk, de sterke ben ik! Als ik me aan de wet hou, dan vind ik mezelf sterk, veel sterker dan die zwakkeling die uit genade leeft. Maar als ik uit genade leef, vind ik hem zwak die onder de wet leeft. Wie is de zwakke? Vers 2
De één gelooft alles te mogen eten, maar wie zwak is, eet alleen groenten.

Zie je wel, als ik vrij ben om alles te mogen eten ben ik sterker dan die zwakkeling, die meent alleen groente te mogen eten. En kijk daar sta ik weer klaar met m’n oordeel. Maar wat zegt Paulus in vers 3:
Laat hij die eet, niet hem minachten die niet eet; en laat hij die niet eet, niet hem oordelen die eet, want God heeft hem aangenomen.
Dus, of ik nu zwak ben of sterk, voor iedereen geldt niet oordelen. Vers 1
Wat nu de zwakke in het geloof betreft, neemt hem aan.

Iemand aannemen betekent zoveel als in je armen sluiten, je één maken met die ander. Niet zo moeilijk als je weet dat je elkaars gelijke bent, maar heel moeilijk als je denkt dat je beter bent dan die ander. Dan krijgt het aannemen van de zwakke een heel andere klank, dan wordt dat iets neerbuigends. In hoofdstuk 15:7 laat Paulus zien wat werkelijk aannemen is:
Daarom neemt elkaar aan, zoals ook Christus u heeft aangenomen tot heerlijkheid van God.

Hoe heeft Christus mij aangenomen? Keek Hij hoe ik leefde en veroordeelde Hij mij daarop? Nee zeker niet. Hij gaf zijn leven, opdat ik mocht leven. Dat is de norm van hoe wij met elkaar om moeten gaan. Moeilijk? Ja onmogelijk, maar daar is Gods genade voor, die zowel het willen als het werken in ons wil bewerken. Dus niet
Om te beslissen over twijfelachtige vragen.

Die twijfelachtige vragen, daar mogen we ons best mee bezig houden, voor onszelf, maar we mogen niet beslissen voor de ander. Wat zijn dan die twijfelachtige vragen? Als ik dit gedeelte lees, gaat dat vooral over eten en feestdagen. Of iemand zich nu wel of niet houdt aan bepaalde richtlijnen i.v.m. eten en het houden, of juist niet houden, van bepaalde dagen, daar hebben wij niets mee te maken. Vers 4:
…, want God heeft hem aangenomen. Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is machtig hem staande te houden.
afhankelijk van onze Heer, van God. Kortom het is genade.

Wordt er dan in de bijbel niet gesproken over zaken als eten en drinken en het houden van speciale dagen? Jazeker wel. Natuurlijk vinden we in de wet van Israël de spijswetten en de verschillende feesten inclusief de sabbat. Logisch dat in de nieuwe verbonds gemeente daar dus ook vragen over gesteld werden. In hoeverre moeten we ons hier aan houden? Het mooie is dat Paulus daar eigenlijk geen antwoord op geeft, maar zegt: Handel naar je geweten vers 5b
Ieder zij in zijn eigen denken ten volle verzekerd.

En hoe is dat dan bij ons, leden van het lichaam van Christus? Kollosse 2:16
Laat dan niemand u oordelen inzake eten en drinken of op het punt van een feest of nieuwe maan of sabbatten.
Dus in ieder geval niet oordelen. Laat je ook niet veroordelen omdat mensen met mooie ervaringen komen, waar je alleen op hun manier deel aan kunt krijgen. Deze mensen zijn vers 19
Zonder reden opgeblazen door het denken van zijn vlees, terwijl hij niet vasthoudt aan het hoofd.
Wij zijn niet van deze wereld vers 20
Als u met Christus aan de elementen van de wereld bent afgestorven.

De elementen, of eerste beginselen, van deze wereld vinden we bij de boom van kennis van goed en kwaad. Deze hele wereld is gebaseerd op deze kennis, oftewel op ethiek. Maar wij dus niet, wij zijn leden van het lichaam van Christus. Het lijkt wel heel vroom als je je onderwerpt aan inzettingen zoals
Raak niet, smaak niet, roer niet aan
Maar het zijn dingen van deze wereld, die voorbij gaat. Het zijn leringen van mensen. Het lijkt heel wat, maar het is niet tot eer van God, maar tot bevrediging van het vlees.

Terug naar Romeinen 14, waar we in vers 13 lezen:
Laten we dan niet meer elkaar oordelen; maar komt liever tot dit oordeel, dat u voor uw broeder geen struikelblok plaatst of een aanleiding tot vallen.
Hoewel Paulus ervan overtuigd is dat niets uit zichzelf onrein is en hij dus vrij is om overal gebruik van te maken, wil hij zijn broeder of zuster niet in de weg staan. Stel je voor dat gelovigen zien dat Paulus eet, terwijl zij vinden dat je eigenlijk niet zou moeten eten, dan zouden ze tot de conclusie kunnen komen dat zij dus ook wel mogen eten. Niet uit overtuiging, niet volgens hun eigen geweten, maar omdat Paulus het ook doet. En we hebben juist in vers 12 gelezen dat je naar je eigen geweten moet handelen, dan kan het nl. niet tussen jou en God in komen te staan. Daarom vers 15:
Want als uw broeder vanwege uw eten bedroefd wordt, dan wandelt u niet meer naar de liefde. Richt door uw eten niet hem te gronde voor wie Christus gestorven is.

Zo belangrijk is eten ook niet. Vers 17,18
Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest. Want wie Christus daarin dient, is voor God welbehaaglijk en bij de mensen beproefd.
Dat is dus van een heel andere orde. God heeft geen plezier in mij door wat ik eet of drink, of wat ik vast. Nee, daar bestaat onze dienst niet uit, dat is werelds. Maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest, daarin mogen wij dienen, dan kijkt God met plezier naar ons. Dus vers 19
Laten wij dus jagen naar wat de vrede en de onderlinge opbouwing dient.

Al die twijfelachtige vragen uit vers 1 mogen het werk van God niet in de weg staan. Vers 21
Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, of iets te doen waardoor uw broeder struikelt
Het is eigenlijk maar zo’n kleinigheid, maar laten we daarin dan ook rekening houden met de ander.
Tot nu toe ging het steeds over een ander oordelen, maar in vers 22b zegt Paulus opeens iets anders:
Gelukkig hij die zichzelf niet oordeelt in wat hij voor goed houdt.
Hier gaat het niet meer over de ander, maar over het oordeel over mijzelf. In 1Kor. 4 gaat Paulus hier uitgebreid op in. Zo zegt hij in vers 3:
Maar het betekent voor mij het minste, dat ik door u of door een menselijk gericht word beoordeeld; ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.
Dus ook geen navelstaren, daar wordt je niet gelukkig van. Vertrouw op je geweten, God zal dat vormen maar…Rom 14:23
Maar wie twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat het niet op grond van geloof is; en alles wat niet op grond van geloof is, is zonde.
Daar willen we toch niet aan meewerken, dat een ander zondigt door de vrijheid die wij menen te bezitten? Daarom afsluitend hoofdstuk 15:1
Maar wij die sterk zijn, behoren de niet-sterken te dragen en niet onszelf te behagen. Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Ga naar: De brief aan de Romeinen 16 De brief aan de Romeinen 17