U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan
Terug naar: Startpagina
Algemeen: Mijn spreekbeurten Gedichten Overzicht geopende bestanden 2 Bijbelverwijzingen 3 Bijbelverwijzingen 2 Bijbelverwijzingen Alle Onderwerpen Overzicht geopende bestanden Contact

Zoeken naar:

De brief aan de Romeinen 15

Heeft God IsraŽl verstoten?

In Romeinen 11 geeft Paulus verdere uitleg over de situatie van Israël.
In hoofdstuk 9 heeft hij al laten zien dat God Israël heeft uitverkozen tot een heel speciale plaats als volk van God. En hoe dit volk van God is gestruikeld over de steen des aanstoots; hoe zij getracht hebben door eigen werken gerechtvaardigd te worden. Daarna laat Paulus in hoofdstuk 10 zien dat de gerechtigheid niet alleen voor Israël is, maar voor allen. En wel de gerechtigheid door geloof. “Een ieder die de naam des Heren aanroept zal behouden worden”. Maar doet Israël dat ook? Gelooft Israël? Nee dus.
Daarom begint hoofdstuk 11 heel terecht met de vraag
Vers 1 Ik zeg dan: Heeft God zijn volk verstoten? Volstrekt niet!

Het eerste bewijs daarvan is Paulus zelf. Hij is immers ook een Israëliet, zoals we in vers 2 kunnen lezen. Het tweede kunnen we leren uit de geschiedenis van Elia (1koningen 19). Elia klaagt dat hij helemaal alleen is overgebleven, en wat zegt God?
Vers 4 Ik heb mij 7000 mannen doen overblijven die hun knie voor Baäl niet gebogen hebben!
Zo was het toen en zo is het nu;
Vers 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar de verkiezing van de genade.

Dus ook Paulus staat niet alleen, er is altijd een overblijfsel, een restant, een klein groepje. Maar dit overblijfsel is naar de verkiezing van de genade. En dus niet op grond van werken. Werken en genade sluiten elkaar uit!
Vers 7 Wat dan? Wat Israël zoekt heeft het niet verkregen,…
Israël zocht (zoekt) rechtvaardiging via de wet, dus door werken.
Maar de uitverkorenen hebben het verkregen;…

Een overblijfsel is uitverkoren om in deze tijd (de tijd van handelingen) gerechtvaardigd te worden door genade.
…en de overigen zijn verhard.
Zij zijn nu niet in staat te geloven, omdat..
Vers 8 God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap, ogen om niet te kijken en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.
Dit is een aanhaling uit Deuteronomium 29:4 en uit Jesaja 29:10. In Deuteronomium zegt Mozes dus al in de woestijn hoe het er voor staat. Ondanks alle tekenen en wonderen die ze voor hun eigenogen gezien hebben, heft dat geen geloof uitgewerkt. Ze durfden immers het land niet binnen te gaan ondanks de belofte. Vele jaren later herhaalt Jesaja deze woorden. Het gevolg van deze geestelijke blindheid en doofheid is traditie. Als je het hart uit het joodse geloof haalt, blijft alleen traditie over. Als er geen echte relatie met God is, is er alleen nog maar vorm. Dat geldt trouwens ook voor de christenen in deze tijd.

Hoe zit het dan, wat was het doel van dit alles? Wat was Gods plan? Was het doel alleen om te vallen? Om niet te geloven? Nee, natuurlijk niet, dat zou zinloos zijn, en niets wat God doet is zinloos.
Vers 11 Maar door hun overtreding is de behoudenis tot de volken gekomen, om hun jaloersheid op te wekken.
Dus uiteindelijk heeft God het herstel van Israël op het oog. Wat is dat geweldig!!
Vers 12 Als hun overtreding de rijkdom van de wereld is en hun verlies de rijkdom van de volken, hoeveel te meer hun volheid!
En vers 15 Want als hun verwerping de verzoening van de wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden?
Hierin vindt Paulus dan ook de voldoening in zijn werk. Hij, de apostel van de heidenen hoopt op de redding van Israël
Vers 13 Voor zover ik de apostel van de volken ben, verheerlijk ik mijn bediening, of ik op enigerlei wijze de jaloersheid mocht opwekken van mijn verwanten naar het vlees en enigen uit hen mocht behouden.

Ook al is Paulus de apostel van de heidenen, zijn hart gaat uit naar zijn eigen volk, zoals we in deze brief al meerdere malen hebben gelezen.
Het is dus wel duidelijk dat God zijn volk niet heeft verstoten, maar integendeel zoals Hij in hoofdstuk 10:21 zei
De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

Wat is dan de plaats van de heiden in de nieuwe verbondsgemeente? In de Bijbel wordt Israël nogal eens voorgesteld door een olijfboom, of sterker nog met de olijfboom, zo ook hier. Van deze olijfboom zijn takken afgebroken, omdat ze niet geloofden. Heidenen, takken van een wilde olijfboom, zijn op deze opengevallen plekken geënt. Hierdoor hebben deze wilde takken deel gekregen aan de wortel en de vettigheid van de edele olijf. De wortel is de basis en de vettigheid de zegen die Israël van God gekregen heeft. Nou hebben mensen in het algemeen en ook deze heidenen de neiging om zichzelf op de borst te slaan. Ze voelen zich meer dan de ander. Zo ook de christenen in die tijd en tot nu toe. Christenen doen net alsof het heil bij hen begonnen is. Volstrekt, niet zou Paulus zeggen, het heil is uit de Joden! De takken dragen niet de wortel, maar de wortel draagt de takken, al dan niet geënt. Paulus waarschuwt dan ook:
Vers 21 en 22 Wees niet hoogmoedig, maar vrees; want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, Hij mocht ook u niet sparen! Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.

Let op, het gaat hier niet over de behoudenis, maar over positie. We weten immers dat alle mensen behouden worden, zoals we lazen in bv Romeinen 5:18
…zo strekt het door één gerechtigheid tot alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.
Maar wanneer iemand behouden wordt en in welke positie iemand dan inneemt, dat is verschillend. In de tijd waarin we nu leven heb je de positie van het lichaam van Christus, waar je overigens niet meer uitgehaald kunt worden. Deze brief is geschreven gedurende de handelingenperiode. Dat betekende een andere positie, je kon toen deel krijgen aan de nieuwe verbondsgemeente. Je kon geënt worden in de edele olijf en daarvan staat wel dat je afgehouwen kon worden. Dan ging je niet verloren, maar je verloor je positie. Om te blijven staan moesten ze in de goedertierenheid blijven, dus in Christus, Hij is de goedertierenheid. Zo konden uiteraard ook de Joden, die afgehouwen waren om hun ongeloof, weer geënt worden als ze niet bij dat ongeloof bleven.

Maar deze situatie van Israël is tijdelijk. Paulus gaat hier een geheim vertellen. Niet een geheim zoals we vinden in Efeze 3; daar gaat het over een geheimenis of verborgenheid, die in andere geslachten niet geopenbaard is, die van alle eeuwen verborgen was in God. Dat geheim kunnen we nergens in het oude testament terug vinden.
Het geheim waar we het in dit gedeelte over hebben was wel bekend in het oude testament, maar voor de heidenen en ook voor veel Joden was het onbekend.
Vers 25b …dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan; en zó zal heel Israël behouden worden,..

Dus weliswaar een overblijfsel ten tijde van de nieuwe verbondsgemeente, maar uiteindelijk wordt de bedekking weggenomen en zal heel Israël behouden worden. Dat is zijn plan met Israël. Hoe gaat dat gebeuren?
Vers 26 Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden

Wie is die Redder? Wij weten dat dat de Here Jezus Christus is, maar de Joden weten dat nu nog niet. Straks zullen zij zien op Hem die zij doorstoken hebben; dan zullen zij zien en geloven. Dan zullen zij ook zien dat dat geen eigen verdienste is
Vers 27 En dit is voor hen het verbond mijnerzijds, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.

Het verbond dat God heeft gesloten met Israël is éénzijdig. God sloot een verbond en Hij zal ook de zonden, die in de weg staan, wegnemen.
Vers 29 Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.
D.w.z. de genadegaven die God gegeven heeft en de roeping waarmee God iemand geroepen heeft, daar komt God nooit meer op terug, dat staat vast. Israël is geroepen om het volk van God te zijn en dat zullen ze dus ook zijn. Niet uit eigen verdienste, maar door de roeping van God.
Vers 28 Wat het evangelie betreft, zijn zij wel vijanden ter wille van u, maar wat de verkiezing betreft, geliefden ter wille van de vaderen.

Zo kijkt God naar zijn volk! Nee, het loopt God niet uit de hand.
Vers 32 Want God heeft allen onder het ongeloof besloten, opdat Hij aan allen barmhartigheid zal bewijzen.
Deze gedachte doet Paulus uitroepen
Vers 33 O diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!
Vers 34 Want wie heeft het denken van de Heer gekend?
Ja, dat proberen we wel, maar we komen er niet uit, het is onnaspeurlijk, zijn denken is hoger dan dat van ons, veel hoger!
Vers 35 Of wie is zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden?
Hier zien wij God zoals Hij zich aan Job openbaart. Hier zien we God als de pottenbakker, die geen verantwoording hoeft af te leggen aan de klei. Omdat God god is zullen we Hem nooit helemaal begrijpen. Hij is de schepper en wij zijn zijn schepselen. Laten we niet hoogmoedig worden en denken dat het allemaal om ons, mensen, draait.
Vers 36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.
Ja, laten we Hem eren!

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Ga naar: De brief aan de Romeinen 14 De brief aan de Romeinen 16