U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2
Terug naar: Startpagina
Algemeen: Mijn spreekbeurten Gedichten Overzicht geopende bestanden 2 Bijbelverwijzingen 3 Bijbelverwijzingen 2 Bijbelverwijzingen Alle Onderwerpen Overzicht geopende bestanden Contact

Zoeken naar:

Vraag 89

Is God de God van levende doden?

Dit lijkt een gekke vraag, maar heel veel gelovigen komen met deze vraag op de volgende manier:
Onze God noemt zich de God van levenden en daarmee doelt Hij op Abraham, Izaäk en Jakob, die toch al een behoorlijk poosje dood zijn. Betekent dit dat al die doden toch eigen leven, zij het op een andere manier?”

Deze vraag kwam als reactie op het Bijbelse getuigenis dat dood zijn altijd betekent dat er totaal geen bewustzijn is. Om het kort te zeggen: “Er is geen leven in de dood.” De reden waarom er geen leven in de dood is, dat is omdat leven en dood in de Schrift altijd elkaars tegenpolen zijn.

Maar nu verklaart Christus Jezus zelf van Zijn Vader dat God de God van de levenden in en niet van de doden. De Heer grijpt daarmee terug op Mozes ontmoeting met Yahweh, die te horen kreeg dat Yahweh de God van Abraham, Izaäk en Jacob is. Het blijkt dat een heleboel gelovigen in deze verklaring horen dat er wel degelijk leven moet zijn in de dood anders kon God niet de God van de levenden zijn terwijl diezelfde God ook nog eens verklaart de God van de dode Abraham, Izaäk en Jacob te zijn.

Tja, is dat de boodschap die de Heer over Zijn Vader weet te vertellen? Nou, we gaan dat eens bekijken.
1. Dan mag je verwachten dat de aanleiding tot deze uitspraak van de Heer een vraag van omstanders of theologen is over de situatie tijdens de dood. Ja toch?
2. Dan mag je verwachten dat er blijkbaar mensen met vragen over de hemel of het paradijs waren gekomen, waar je dan blijkbaar naar toe ging na het sterven.
3. Dan zou je toch verwachten dat de omstanders met een dilemma waren gekomen over bijvoorbeeld een vrouw, die met meerdere mannen getrouwd is geweest in dit leven, waarbij ze met de vraag zouden komen met wie ze dan wel getrouwd zou zijn in het dodenrijk, dus nadat ze overleden is.
4. Je zou dan ook eigenlijk mogen verwachten dat de Heer helder en duidelijk zou aangeven hoe het met het huwelijk staat als je dood bent.
5. De Heer zou dan dus echt concrete antwoorden moeten geven hoe het er in de dood voorstaat. Is dat ook zo?

Laten we maar eens het hele stuk over de God van de levenden erop nalezen:
Mattheus 22: 23-32 Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem en zeiden: Meester, Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft en geen kinderen heeft, dan zal zijn broer met zijn vrouw trouwen en zijn broer zal dan voor hem nakomelingen verwekken.
Nu waren er bij ons zeven broers; De eerste, die getrouwd was, stierf; en omdat hij geen nakomelingen had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer. Precies eender ging het bij de tweede en bij de derde, tot de zevende aan toe. Het laatst van allen stierf ook de vrouw.
Wie van de zeven zal zij in de opstanding tot vrouw zijn? Want zij hebben haar allemaal gehad.
Jezus antwoordde hen: Jullie dwalen, want jullie kennen de Schriften niet, en ook de kracht van God kennen jullie niet. Want in de opstanding huwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven, maar zij zijn als engelen van God in de hemel.
Wat de opstanding van de doden betreft, hebben jullie dan niet gelezen wat God tegen jullie gesproken heeft, toen Hij zei: ‘Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’? God is niet een God van doden, maar van levenden. De scharen die dit hoorden, stonden versteld over Zijn leer.

Ik heb dit hele stuk hier neergezet omdat we dan gelijk zien wat het echte onderwerp van dit gedeelte is. Dat is niet onze doodstoestand. Je leest ook helemaal niks over de hemel. Het echte onderwerp is de opstanding. Dat lijkt me overduidelijk. Die sadduceeën, die geloofden totaal niet in de realiteit van een opstanding.
Mattheus 22: 23 Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is,

Deze sadduceeën vroegen ook niet:
Mattheus 22: 28 Wie van de zeven zal zij in de dood tot vrouw zijn? Nee, het ging hen om het vraagstuk van de opstanding, waar zij helemaal niet in geloofden, maar waar tot hun irritatie de Heer wel in geloofde.

Daar begon het al mee. Voor hen was het dus niet de vraag: “Hoe zit dat nou als je sterft?” Nee, de vraag voor hen was: “Hoe zit het nou als je uit de dood opstaat?”

Dan had de Heer hen natuurlijk nog kunnen corrigeren met te wijzen op de situatie hoe het in het dodenrijk zou zijn, dus als men dood is. Nee, ook dat gebeurt er niet (vanzelfsprekend niet want er is helemaal geen situatie in het dodenrijk. Er is zelfs geen bewustzijn daar). Ook in Zijn antwoord wijst de Heer dus opnieuw op de opstanding.
Mattheus 22: 30 In de opstanding huwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven,

Als de Heer dan uiteindelijk op de kwestie van dat God niet een God is van doden maar van levenden uitkomt, dan laat Hij nog eens helder en duidelijk uitkomen dat dit niet de situatie van de dood betreft, maar juist van de opstanding uit die dood.
Mattheus 22: 31 Wat de opstanding van de doden betreft,

Laten we het dus nog eens opnieuw doornemen. Omdat Christus Jezus naar hun beleving wel in die onzin van opstanding geloofde, kwamen ze met hun strikvraag. Nou is volgens mij het zwagerhuwelijk, dat in die strikvraag binnen gebracht wordt, niet de essentie van wat we hier proberen uit te zoeken. Daar duiken we dus niet in. De essentie is de opstanding van de doden. In vers 31 spitst de Heer zijn spreken daar dan ook op toe als Hij zegt:
“Wat de opstanding van de doden betreft, hebben jullie dan niet gelezen wat God tegen jullie gesproken heeft, toen Hij zei: ‘Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’? God is niet een God van doden, maar van levenden.”

Kan het nog duidelijker?
“Wat de opstanding van de doden betreft,”
De opstanding van de doden is dus concreet het onderwerp van het hele betoog van onze Heer hier. Het onderwerp hier is dus niet de hemel. Het onderwerp is dus ook niet de situatie waar de doden in verkeren tijdens hun dood zijn.

De Heer wijst op de opstanding van de doden als Hij in vers 29 spreekt over de kracht van God, die deze sadduceeën totaal niet blijken te kennen. Waar doelt de Heer dan op als Hij aangeeft dat onze God een God van levenden is? Doelt Hij erop dat deze mensen, Abraham, Izaäk en Jakob, midden in de dood toch blijken te leven op één of andere mysterieuze manier? Of doelt de Heer ergens anders op?

Die gedachte dat de Heer hier aangeeft dat Abraham, Izaäk en Jacob midden in een dood, die al vele honderden jaren aan duurt, toch op één of andere manier zouden leven in de dood, die gedachte op zich is in elk geval springlevend in het christendom. Maar waren deze aartsvaders ook springlevend in de dood? Ik denk het niet. Ik denk zelfs dat dit nou helemaal niet de betekenis van deze uitspraak van de Heer is.

De Heer verwijst hier naar Mozes ontmoeting met Yahweh in de brandende braamstruik..
Exodus 3: 4-6 Toen Yahweh zag, dat hij (Mozes) heenging (naar de brandende braambos) om te zien, riep God hem uit het braambos en sprak: Mozes, Mozes! Hij antwoordde: Hier ben ik. Hij sprak: Treed niet herwaarts; trek je schoenen uit van je voeten, want de plaats, waarop je staat, is heilige grond. Hij sprak verder: Ik ben de God van je vaderen, de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jakob.

Wij zouden het er misschien niet zomaar één, twee, die uithalen, maar voor Christus Jezus was dit Bijbelgedeelte een aanwijzing naar de belofte van de opstanding. Ik moet zeggen dat ik zonder de relatie tussen Exodus 3 en dit gesprek van de Heer met de sadduceeën hier in Mattheus 22 er nooit op gekomen zou zijn dat deze ontmoeting tussen Mozes en Yahweh ging over de opstanding.

Na dit citaat over Mozes komt de Heer dan met de uitspraak, waar de vraag tot dit onderzoek helemaal om draait:
“God is niet een God van doden, maar van levenden.”
Omdat we inmiddels al zo geprogrammeerd zijn dat het alles om ons draait, ook wanneer we reeds gestorven zijn, daarom denken we dat hier door de Heer iets over ons als doden gezegd wordt. We concluderen vanwege die foutieve invalshoek dat die doden dan wel dood zijn, maar feitelijk leven omdat hier toch zeker staat dat de God een God van levenden is hoewel die levenden al honderden jaren dood waren.

Waar ging de hele strijd met de sadduceeën nog maar over? Dat was de opstanding! Over wie gaat het hier in vers 32? Hier wordt niet iets over de mens gezegd. Christus Jezus verklaart hier iets over Zijn Vader, God. God is niet een God van doden, maar van levenden.

God is niet een God van doden. Let nou goed op voordat we weer met eigen conclusies komen. Mozes, die dus in Exodus die ontmoeting met Yahweh had, kende heel goed allerlei goden van doden. Mocht jij daar een beetje onbekend mee zijn dan geeft Wikipedia hier zeker uitkomst. Mozes zelf was opgevoed met een godsdienst waar er ook een god was, die zijn bewind voerde over het dodenrijk, dus de plek waar mensen naartoe gingen als ze stierven.

Alle heidense (dus: niet joodse) godsdiensten hebben een god van de doden. Dat was in hun denken ook wel noodzakelijk omdat die volkeren in tegenstelling tot het volk van God, Israël, een nogal druk bezette onderwereld kenden in hun religie. In het dodenrijk van die heidense volkeren ging het er erg levendig aan toe. Vandaar dat ze een god van de doden ook goed konden gebruiken.

Onze God is een God van levenden. Ja maar Abraham, Izaäk en Jacob waren toch dood? Toch noemt God zich hun God! Daarom is het goed om alles in zijn verband te zien. Het punt waar de Heer in dit gesprek met de sadduceeën voortduren op terug komt is de opstanding. De dood is dood. Daar valt als een soort god eenvoudigweg niet over te heersen juist omdat de dood dood is. Dit is dus echt in radicale tegenstelling tot de godsdienst bij de omringende heidense volkeren. God is de God van de levenden, wat dus blijkt (en daar komt het) bij de opstanding.

Er is geen enkele god, die de kracht van opstanding in onvergankelijkheid kent. Al die verschillende goden in de diverse niet joodse godsdiensten speelden dan wel een rolletje in het drama van het zogenaamd levendige dodenrijk, maar leven komt pas aan de dag in de opstanding uit de dood. Die goden waren niks en daarmee was ook dat zogenaamd levendige dodenrijk helemaal niks. Maar Gods kracht komt openbaar in de opstanding uit de dood. Die kracht van God was onbekend bij de sadduceeën.
Mattheus 22: 30 Jezus antwoordde hen: Jullie dwalen, want jullie kennen de Schriften niet, en ook de kracht van God kennen jullie niet. Want in de opstanding ……

Die heidense godsdiensten kenden die kracht van God ook niet. De sadduceeën kenden die kracht van God niet. Ook al die christelijk godsdienstige mensen, die zo hun twijfels hebben over de opstanding, maar wel een soort levendig dodenrijk kennen in hun vrome fantasie, ook zij kennen die kracht van God niet. God is geen god van doden. Onze Vader God is de God van levenden. Waar wijst dat op? Op de opstanding uit de dood.

We gaan nu eventjes vanuit de belofte van de opstanding doordenken over wat hier nou eigenlijk staat. Zou er geen opstanding zijn, dan zou er in het allerbeste geval van Abraham, Izaäk en Jacob slechts gebalsemde mummies zijn overgebleven. Een stelletje stijve lijken, waar God dan de God van zou zijn. Dan moeten we constateren dat de dood eigenlijk een krachtiger god zou zijn dan Vader God, Yahweh, zelf. God zou dan dus te zwak zijn om deze drie aartsvaders uit de greep van de dood te redden. Die lijn van denken is ook helemaal in overeenstemming met de gedachten van de sadduceeën. Vandaar dat de Heer in vers 29 het volgende zegt:
“Jullie kennen de Schriften niet, en ook de kracht van God kennen jullie niet.”

Waar wij dode lijken zien en soms zelfs niet eens meer iets dergelijks omdat het al zover vergaan is dat er niets, maar dan ook niets, meer van terug te vinden is. God overziet Zijn hele plan. Het hele plan van God wordt nu al en ook destijds al door God overzien als compleet perfect voltooid. In Christus ziet God al de hele rangorde van de opstanding als voltooid. In Christus ziet God reeds elke goddeloze als degene die vrijwillig zich buigt en Zijn naam belijdt. In Christus ziet God allang elke dictator, elke massamoordenaar, elke verkrachter, elke vrome wetticist, elke hoereerder, elke satanist, elke tovenaar en heks, elke dronkenlap, elke sekteleider, ja elke zondaar, in het volle genot staan van Gods liefde en genade omdat Hij het werk van Zijn Zoon aanziet. Dus, of we nou knoepertje dood zijn of dat we nou leven, voor God leven we allen.
Lukas 20:38 Hij is toch niet een God van doden, maar van levenden; want voor Hem leven allen.

Zou bovenstaande tekst niet in het gehele verband van opstanding staan, dan hadden we nooit tot deze prachtige eindconclusie kunnen komen. Dan had het altijd in schril contrast gestaan met de rest van het bijbels getuigenis. Maar het is eind goed, al goed. God zal straks zijn alles en in allen.

Ik kreeg hierover een keer een aanvaring met iemand, die zei: “Als ik uit de dood opsta en ik zie die en die (ik noem hier bewust eventjes geen namen), dan stap ik er gelijk weer uit!” Wat zal het een verrassing voor deze beste man zijn als hij zal merken dat hij dat helemaal niet meer zal doen omdat genade die ander, maar ook hemzelf gevormd heeft naar het beeld van Christus. We zijn nou eenmaal allemaal verzoende vijanden.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende

Ga naar: Vraag 90 Romeinenbrief 20