U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2
Terug naar: Startpagina
Algemeen: Mijn spreekbeurten Gedichten Overzicht geopende bestanden 2 Bijbelverwijzingen 3 Bijbelverwijzingen 2 Bijbelverwijzingen Alle Onderwerpen Overzicht geopende bestanden Contact

Zoeken naar:

1 Corinthe 5 1e studie

Laten we feestvieren!!!

Zin in een feesie? Dan moet je bij God zijn! De hele Schrift barst uit elkaar van het feestvieren. Okay, ik weet het, die indruk maken wij, gelovigen, nou niet bepaald op de ongelovigen. Feestvieren lijkt niet echt het ding van gelovigen. Wat ben ik de uitspraak “Wat tobben jullie, gelovigen, een end weg zeg!” uit de mond van ongelovigen tegen gekomen. Ze hebben nog gelijk ook. Zelfs over zo’n opschrift als “Laten we feestvieren!” komt er gegarandeerd weer een discussie over losbandigheid, liederlijkheid, wanordelijke uitspattingen en zelfs zedeloosheid. Ja, we weten de Schrift goed voor schut te zetten.

Vraag aan willekeurig welke gelovige uit welke kerk dan ook wat het onderwerp van 1 Corinthe 5 is. Meeste kans zullen ze dan eerst even het hoofdstuk op moeten zoeken en doorlezen omdat ze niet gelijk het betoog van Paulus in dat hoofdstuk paraat hebben. Zodra ze echter globaal die verzen gescand hebben komt het antwoord:
“Paulus spreekt hier over de kerkelijke tucht, dat we mensen die het seksueel niet zo nauw nemen eruit moeten gooien. Die horen er niet bij! Die gaan gewoon verloren!”

De kern ontgaat hen dus blijkbaar.
1 Corinthe 5: 8 Laten wij feestvieren,
Het uitgangspunt van Paulus in dit hoofdstuk is feest! Dat onderwerp, dat zo duidelijk prominent in dit hoofdstuk staat, wordt wel behoorlijk verduisterd door de bril waarmee wij, gelovigen, dit hoofdstuk lezen, onze bril van kerkelijke tucht. Stel ik me nu op boven de rest van de gelovigen alsof iedereen dit fout heeft en ik alleen het enig juiste inzicht over Paulus spreken hier heb?

Ik zal je wat vertellen. Ik heb diezelfde bril van kerkelijke tucht vrijwel mijn hele leven opgehad en kwam dus ook tot dergelijke godslasterlijke denkbeelden. Welke denkbeelden? Het denkbeeld dat Christus Jezus mensen overgebracht heeft van de dood in het leven, die daarna seksueel de mist ingaan, waarna dat werk van Christus voor die man of vrouw dus helemaal niks meer blijkt voor te stellen. Dat kan ik niet anders zien dan als godslasterlijk. Het werk van Christus wordt leerstellig toch aangetast?

Ik kan me werkelijk heel goed indenken dat dit je niet lekker zit. “Die mensen in Corinthe zijn toch zeker een stelletje opgeblazen lui?”, hoor ik je me nu al toeroepen.
1 Corinthe 5: 2 Jullie zijn opgeblazen,

Je vist nog een argument uit dit hoofdstuk tegen het feit dat hier sprake zou zijn van gelovigen, die helemaal rein in Christus zouden zijn.
1 Corinthe 5: 6 Jullie trots deugt niet. Weten jullie niet dat een beetje zuurdeeg het hele deeg zuur maakt?
Je wijst op die opgeblazen, voor jouw gevoel, schijngelovigen, die zelfs nog trots zijn op hun gedrag ook terwijl ze de hele gemeenschap de verdoemenis in werken. “Daar zie je toch zeker niks van het volbrachte werk van de Heer in terug?” schreeuw je me tegemoet.

Dan kijk je weer naar die ene man, die volgens jou seksueel zo minderwaardig geleefd heeft en je past de volgende uitspraak nou juist op hem toe:
1 Corinthe 5: 7 Ruim dat oude zuurdeeg op, zodat jullie een nieuw deeg mogen zijn,
Je concludeert hier dat jullie als goede gelovigen hier dus een rein groepje kunnen zijn als je die ene man, die het zo verknoeid heeft, eruit gooit.

Ach ja, ik lijk alweer fel te worden op zo’n huichelachtig “christelijk” gedrag, maar ik ben me er terdege van bewust dat ikzelf op dezelfde manier dit hoofdstuk ook heb toegepast. Ik ben wat dat betreft enorm wettisch en hoogmoedig geweest. Hoe noemt de Schrift dat nog maar? Opgeblazen. Het feit dat dit opgeblazen gedrag nou juist aangepakt wordt in dit hoofdstuk is tekenend voor de werkelijke inhoud.

O ja, ik maar steeds beweren dat het werk van Christus een ieder rein voor God doet staan terwijl hierboven maar steeds schijnbaar krachtige argumenten daartegen worden aangedragen. Is het werk van Christus dan niet voldoende voor de reiniging van Zijn schepselen?
1 Corinthe 5: 7 Jullie zijn ongezuurd. Want ons pascha, Christus, is geslacht.
De basis van reiniging is Christus werk. Wij zijn per definitie ongezuurd. Paulus spreekt hier hen allen aan. Hij spreekt hier de mensen aan, die seksueel de mist ingingen. Het Pascha, Christus, is geslacht voor hen en zij zijn dus ongezuurd. Paulus spreekt hier de opgeblazen gelovigen aan. Het Pascha, Christus, is geslacht voor hen en zij zijn dus ongezuurd. Paulus spreekt hier de trotse gelovigen aan. Het Pascha, Christus, is geslacht voor hen en zij zijn dus ongezuurd.

Logisch dat het grote onderwerp van dit hoofdstuk het feestvieren is.
1 Corinthe 5: 8 Laten wij feestvieren,
Eigenlijk is dit een beetje te tam vertaald. Een beetje logisch is dat wel omdat de sunjunctieve wijs, oftewel de aanvoegende wijs, waarin het werkwoord “laten feestvieren” vervoegd is, nauwelijks meer voorkomt in ons Nederlands taalgebruik. Diezelfde vervoeging hebben we nog wel bij oude spreuken, zoals in “Leve de koning!”. Letterlijk drukken we daarmee uit: “Laat de koning vandaag leven, laat hem morgen leven, laat hem volgende week leven, laat hem volgend jaar leven, ja laat hem maar door en door leven! Leve de koning”. Dat is nou ook precies zoals de aanvoegende wijs hier door Paulus gebruikt wordt, waardoor we het eigenlijk nog beter kunnen weergeven met:
“Laten we maar door blijven feesten! It’s Party Time!”
Ja, laten we lekker door blijven feesten. Waarom? Ons Pascha, Christus is geslacht en we zijn dus ongezuurd!

Mensen, wij zijn ongezuurd! Helemaal puur, helemaal rein, helemaal zuiver, helemaal heilig. Zo ziet God ons in Christus Jezus. Elke gelovige. We hoeven dus echt niet ons detectivebrilletje op te zetten om onze medegelovige mee door te lichten. “Ongezuurd” is de conclusie van God. Tja, wie zou dat nou tegen kunnen spreken? Nou, ik weet er wel enkelen en nog maar zeer kort geleden was ikzelf er één van.

Is nou het gerucht, dat ook Paulus ter ore was gekomen in vers 1, bepalend voor het hele onderwerp van dit hoofdstuk?
Is misschien het opgeblazen zijn in vers 2, en het roemen in het vlees, wat genoemd wordt in vers 6, en het oude zuurdeeg van vers 7, niet juist het onderwerp van het hoofdstuk?

Zelf denk ik, en daar ga ik in mijn uitleg over dit hoofdstuk ook vanuit, dat vers 2 de kentering in dit hoofdstuk is. Dat opgeblazen zijn krijg je vanzelf als je oud zuurdeeg gebruikt en daar dan ook nog eens over roemt. Die hoogmoedige opgeblazenheid kom je nou juist tegen waar we denken het juist heel keurig en goed te doen. O mensen, dat ken ik ook. Wat deden we het goed allemaal. Lucht, lucht, allemaal gebakken lucht! Ja, zo kon je mij nog niet eens zo lang geleden kennen. O, wat een arrogantie! Wat een eigenwaan! Wat een ingebeelde zelfoverschatting!

Wat is het kenmerk van zuurdeeg? Het blaast op tot fenomenale proporties! Daar stond mega-ballon Hein. Heeft er iemand nog een naaldje? Dit is zo doorgeprikt. Dan te bedenken dat die Hein al die tijd ongezuurd was omdat ook zijn Pascha geslacht was! Met al die pedanterie en verwaandheid van mij als wel heel erg goed christen ontging mij dat resultaat van het werk van Christus destijds volkomen en kwam ik dus helemaal niet tot de kern van dit hoofdstuk. Wat dan? Nou, feesie vieren jongens! Ons Passcha is namelijk geslacht en hoe je het ook went of keert, we zijn allemaal ongezuurd! Niet dankzij ons keurig gedrag, maar dankzij Christus werk.

Mijn opgeblazen zijn, ondanks dat God mij rein verklaarde dankzij het werk van de opgestane en verheerlijkte Heer, kreeg ik eigenlijk omdat ik dacht dat dit werk van de Heer niet genoeg was. Dat is verachting van het werk van Christus, hè? Ik gebruikte daarom dus maar, om in de taal van dit hoofdstuk te blijven, een beetje oud zuurdeeg. Daar werd ik dan ook nog eens even een behoorlijk portie trots op, oftewel ik ging daar over roemen. Die hoogmoedige opgeblazenheid kom je nou juist tegen daar waar wij denken het heel keurig en goed te doen.

We beginnen al een beetje te ontdekken dat het wegdoen van dat oude zuurdeeg dus echt niet hetzelfde is als iemand de gemeente uitwerken, die naar ons oordeel niet zo rein en puur is als wij. Zo’n veroordeling past nou juist alleen maar in een groep, die zo sterk is opgeblazen. Dat noemt men dan kerkelijke tucht gebaseerd op dit hoofdstuk. Ik zeg heel bewust dat “MEN” dat zo noemt. Die “MEN” zijn mensen zoals ik dat ook was, die zichzelf veel reiner en heiliger achten dan de rest. Opgeblazen, oftewel vol zuurdeeg.

Kerkelijke tucht vind je niet in dit hoofdstuk. Er wordt hier door Paulus nergens over tucht gerept. En Corinthe was geen kerkelijk systeem. Je zou wel kunnen zeggen dat de geschiedenis van kerken in het algemeen het resultaat is van de ten onrechte kerkelijke toepassing van 1 Corinthe 5. Scheuring op scheuring veroorzaakte kerk na kerk. Er werd weer iemand uitgestoten en er ontstond weer een nieuwe kerk. Dit alles doordat men al een veel te grote broek aanhad als kerk en zichzelf dus nooit zag als een groepje mensen, die gewoon alleen maar bij elkaar kwam omdat men graag bij elkaar kwam. Laat het duidelijk zijn: Daar is niks mis mee. Daar kan je komen. Daar kan je wegblijven. Het is maar hoe de Heer je leven leidt.

Het onderwerp van 1 Corinthe 5 is het feest van de ongezuurde broden. Dat verdwijnt helemaal uit het zicht als we het naar een soort kerktucht ombuigen.
1 Corinthiërs 5:6-9 Jullie roem deugt niet. Weten jullie dan niet dat een beetje zuurdeeg het hele deeg zuur maakt? Ruim het oude zuurdeeg op, opdat je een vers deeg mag zijn, jullie zijn immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht. Laten wij daarom door blijven feesten, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurd brood van oprechtheid en waarheid.
Galaten 5: 9 Een beetje zuurdeeg doorzuurt het hele deeg.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende

Ga naar: Vraag 92 1 Corinthe 5 10e studie