U bevindt zich hier: Enkel Genade

2 Samuel 22: 26 Jegens hem die genade betoont toont Gij Uw genade, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk,
2 Samuel 22: 51 Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen, en betoont
genade aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.
Wie is het die hier genade betoont? Ik heb in het vorig artikel al verklapt dat David hier eigenlijk een Messiaanse profetie uitsprak. Dat gaan we nu uitzoeken.

Ik begin met eerst te stellen dat dit hoofdstuk 2 Samuel 22, zowel als Psalm 18 profetische uitspraken zijn over het toen nog toekomstige aanbod van het Koninkrijk van God aan eerst de jood en daarna de heiden. Dan volgt nu de bewijsvoering.

Romeinen 15: 8 – 9 Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen, en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen.

Dit gedeelte is een citaat uit Davids betoog in dit hoofdstuk.
2 Samuel 22: 50 Daarom loof ik U, o Yahweh, onder de volken en wil ik uw naam psalmzingen.

Deze tekst wordt door Paulus gebruikt als bewijsvoering voor het feit dat de dienst van Christus aan de besnedenen zich ook uitstrekt tot de heidenen.
De dienst van Christus is primair gericht op de besnedenen. Helaas is dat op zich al een weinig bekend gegeven. Onder de besnedenen moeten we het volk Israël verstaan. Dat Zijn dienst zich beperkt tot het volk Israël is een voldongen feit. Sommigen kunnen daar nog in meegaan. Maar hier blijkt dat dit nog altijd gold, ook in de vroege brieven. Dat is een feit, waarbij de meesten afhaken.

Nu blijkt dat de profetie van David in deze twee hoofdstukken betrekking heeft op dit aanbod van het Koninkrijk aan het volk Israël. Ook blijkt David reeds te hebben aangegeven dat de heidenvolkeren hier ook een plek in mogen vinden. Om mijn bewering kracht bij te zetten wil ik daarom toch enkele dingen kwijt over de manier waarop Paulus David hier citeert.

In de eerste plaats begint Paulus met een krachtige uitdrukking in Romeinen 15: 8. In onze vertaling begint het met ‘Ik bedoel’. Het Griekse ‘lego de’ betekent letterlijk: ‘Ik spreek’. Zo begint Paulus in de Romeinenbrief telkens zijn zin als hij een bijzonder punt onder de aandacht wil brengen.

Voorbeelden van Paulus bijzondere punten:
1/ De voorrang van de jood in het Koninkrijk
Romeinen 9: 1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet,
Romeinen 11: 1
Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet!
Romeinen 15: 8
Ik bedoel namelijk,
2/ De plaats van de heiden in het Koninkrijk
Romeinen 11: 11 Ik vraag dan: ……..Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken.
Romeinen 11: 13
Ik spreek tot u, heidenen.

Paulus had hier dus iets belangrijks door te geven. Het volk Israël neemt de eerste plaats in binnen het Koninkrijk van God, maar ook heidenen zijn daarin betrokken. Ik ga nu naar mijn tweede argument.

Christus is ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van de besnedenen geweest. Die waarachtigheid van God komen we ook tegen in Romeinen 3: 7 en is daar een herhaling van de opmerking in Romeinen 3: 4 dat God waarachtig is. Dit wordt daar direct verbonden aan de trouw van God in Romeinen 3: 3. De discussie is in Romeinen 3: 1 het voorrecht van de jood en het nut van de besnijdenis. Dat gold nog altijd in de Romeinenbrief.
Gods trouw en Gods waarachtigheid vindt zijn uitwerking in Zijn trouw bewaren van de verbondsbeloften aan Zijn volk.

Het was dus ter wille van Gods waarachtigheid en trouw in het houden van Zijn beloften aan Zijn volk dat Christus een dienaar van de besnedenen, oftewel het joodse volk, is geweest. Paulus zegt in Romeinen 15: 8 er dan achteraan dat dit was om de beloften, aan de vaderen gedaan te bevestigen. Wij heidenen hebben geen vaderen aan wie beloften gedaan waren. Alles is nog puur joods terrein in dit vers.

Nu komen we bij de uitspraak van Paulus waarom hij David gaat citeren.
Romeinen 15: 9 en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken,
Zoals de dienst van Christus aan het joodse volk was ter wille van de waarachtigheid van God, zo past het binnen de profetie over het Koninkrijk van God dat heidenen God gaan verheerlijken ter wille van Zijn ontferming. Er was geen verbond om op terug te vallen. Er waren geen beloften om op terug te vallen. We hadden geen vaderen om op terug te vallen. Feitelijk was er geen enkele grondslag om enig recht te doen gelden. Dan is er slechts de ontferming van God alleen.

De reden voor Paulus om deze tekst van David uit 2 Samuel 22: 50 hier te citeren is dus dat er een bewijsgrond voor de joodse gelovigen moest zijn waarom ook heidenen deel konden hebben aan de zegeningen van het Koninkrijk. De bewijsgrond is de uitspraak van David en de enige grondslag voor ons heidenen om deel te hebben aan dat Koninkrijk is Gods genade alleen.

Uit Paulus gebruik van deze verzen blijkt dat dit gedicht van David in 2 Samuel 22 feitelijk een hoofdstuk is waar de komende Messias zelf aan het woord is. Zoals de Messias daar zelf het goede nieuws van Zijn koninkrijk verkondigt kunnen we veel leren.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende