U bevindt zich hier: Enkel Genade

2 Samuel 22: 26 Jegens hem die genade betoont toont Gij Uw genade, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk,
2 Samuel 22: 51 Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen, en betoont
genade aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.
Uit het citaat door Paulus uit dit hoofdstuk blijkt dat de Messias zelf hier aan het woord is.

Je kan 2 Samuel 22 grofweg in drie stukken verdelen. Let op, waar het goede nieuws mee begint.
1/ De verzen 1 t/m 21 – De heerlijkheid van Christus opstanding
2/ De verzen 22 t/m 36 – De lijdende Knecht bij Zijn eerste komst
3/ De verzen 37 t/m 51 – De heerlijkheid van Christus tweede komst

De Messias zal bij Zijn komst al de werkers van ongerechtigheid buiten Zijn Koninkrijk plaatsen en ernstig veroordelen.
Mattheus 13: 41 – 42 De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
Dit verklaart de ernstige oordelen die we in 2 Samuel 22: 38 t/m 43 tegenkomen.

David spreekt in vers 3 over Yahweh als ‘de hoorn mijns heils’, die in vers 4 hem verlost van zijn vijanden. Als Zacharias in de Tempel de pasgeboren Messias ziet, zegt hij:
Lukas 1: 69 – 71 en heeft ons een hoorn des heils opgericht, in het huis van David, zijn knecht, (gelijk Hij gesproken heeft door de mond zijner heilige profeten van oudsher) om ons te redden van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten,
Ook Zacharias plaatst David met dit citaat dus onder de heilige profeten.

2 Samuel 22: 17 – 18 Hij reikte van omhoog, greep mij, trok mij op uit grote wateren. Hij ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, omdat zij sterker waren dan ik.
De grote wateren en de machtige vijand spreken van de dood van onze Heer.
2 Samuel 22: 19 Zij traden mij in de weg ten dage van mijn ongeluk, maar Yahweh was mij een steun;
De dag van Zijn ongeluk was de dag dat Hij afdaalde van het kruis naar het graf.

2 Samuel 22: 20 Hij leidde mij uit in de ruimte,
De Heer heeft de plaats ingenomen ver boven alle hemelen.
Efeze 4:10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.
Filippi 2: 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd.

2 Samuel 22: 20 Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had.
Tot drie maal toe opende de hemelen zich en getuigde de Vader van Zijn welgevallen in Christus.

De volmaaktheid van de Heer:
2 Samuel 22: 21 - 27 Yahweh deed mij naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen vergold Hij mij, want ik heb de wegen van Yahweh gehouden en ben niet goddeloos afgeweken van mijn God. Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen en van zijn inzettingen week ik niet af, maar ik was onberispelijk voor Hem, en wachtte mij voor ongerechtigheid. Yahweh heeft mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid voor zijn ogen. Jegens hem die genade betoont toont Gij Uw genade, jegens de onberispelijke toont Gij U onberispelijk, jegens de reine toont Gij U rein,

De geschiedenis van David kennende is het onmogelijk deze volkomenheid zomaar op zijn persoon te plakken. Nu we inzicht hebben gekregen in het profetisch karakter van deze uitspraken van David weten we dat dit de kenmerken zijn van de Messias.

Nu is het ook duidelijk Wie degene is die het initiatief neemt om genade te betonen. Dat was niet in eerste instantie David, maar Christus Jezus zelf.
2 Samuel 22: 26 Jegens hem die genade betoont toont Gij Uw genade.
2 Samuel 22: 51 Hij betoont genade aan zijn gezalfde,
Over het hoofd van David heen wijst dit hele gedeelte heen naar de ware Gezalfde, de Messias die toen nog komen moest, Christus Jezus zelf. Hij betoont genade.

In het Oude Testament is het met name de Messias die de speciale titel draagt van de Genadige, wat hier weergegeven is als ‘Hem die genade betoont’. De titel heeft een veel grotere inhoud dan uitsluitend de genade voor verloren zondaars. Het is de genade die geschonken en genoten wordt in verband met een moreel volmaakte wandel.

We zullen heel uitvoerig stilstaan bij de Messias als de Genadige wanneer we de goedertierenheid, die feestelijk gevierd wordt in Psalm 136, zullen behandelen. Die goedertierenheid is de genade van de Messias die zijn uitwerking heeft tot in elke vezel van het maatschappelijk leven.
Johannes 1: 14 Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
Johannes 1: 17 de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.

Christus is degene die genade betoont. Hij is ook degene die als de Opgestane en Verheerlijkte gekenmerkt wordt door genade en genade alleen. Kennen we die opgestane verheerlijkte Heer als ons leven, dan kan het niet anders of ons leven wordt getekend door die overvloeiende rijkdom van Zijn genade.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende