U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 7: 11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.
Afgrond. Hebreeuws: ‘thom’. De peilloze diepte. In Genesis 1: 2 wordt het de vloed genoemd, waar de duisternis op lag. In Genesis 49: 25 wordt het de watervloed genoemd.
De sluizen. Hebreeuws: ‘arubah’. Het duidt op een rasterwerk of traliewerk.

Genesis 7: 13 Even op diezelfde dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;
Sem, Cham en Jafeth. Zie Genesis 6: 10.

Genesis 7: 14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
Vleugel. Dit is de letterlijke weergave. Deel staat voor het geheel. Elke soort vogel kwam dus in de ark.

Genesis 7: 15 En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.
Geest. Hebreeuws: ‘ruach’.

Genesis 7: 16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.
God – Elohim. Opnieuw verbonden aan de dieren in het algemeen.
HEERE – Yahweh. Het was Yahweh die de deur sloot. De Verbondsgod.

Genesis 7: 19 En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder de ganse hemel zijn, bedekt werden.
Gans zeer. Letterlijk: ‘geweldig, geweldig’. De herhaling wijst op het wereldwijde karakter van de zondvloed.

Genesis 7: 21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.
Verzen 21-23. Uitgebreide nadruk op de volkomen uitroeiing van alles wat leeft.
Gaf de geest. Letterlijk: Stopte met ademen’.

Genesis 7: 22 Al wat een adem van de geest des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.
Adem van de geest des levens. Adem in Hebreeuws: ‘nshamah’. Geest in Hebreeuws: ‘ruach’. Leven in Hebreeuws: ‘chay’.

Genesis 7: 23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.
Al wat bestond. Letterlijk: ‘al het staande’.
Verdelgd. Letterlijk: ‘uitgeroeid’.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte:
MP3 Toespraken:
Genade Noach Abraham Lot [7.897 KB]