U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 6: 1 En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,
Het geschiedde. Velen zien hier een abrupt nieuwe start. Ze zetten een dikke streep tussen Genesis 5: 32 en Genesis 6: 1. Daardoor verdwijnt het zicht op het feit dat het geslachtsregister van Adam zich hier gewoon voortzet. Genesis 5 en 6 kunnen als één geheel achter elkaar doorgelezen worden tot de volgende afbakening. De eerstvolgende duidelijke afbakening is Genesis 6: 9.
De mensen. Enkelvoud met lidwoord. Dit wijst op ‘de mens’, dat is ‘Adam’. De mensheid als zodanig wordt weergegeven zonder lidwoord. Dit is op zich een heldere aanwijzing dat hier het geslachtsregister van Adam (Genesis 5: 1) nog gewoon doorgaat.
De mensen en hun dochters. Er is geen sprake van de ene soort mensen tegenover de andere soort mensen. Het geheel wordt hier teruggebracht op Adam..
De aardbodem. Hebreeuws: ‘ha adamah’. Dezelfde aardbodem die in Genesis 3: 17 vervloekt is.
Hun dochters. Het meervoudig ‘hun’ na het enkelvoudig ‘Adam’ wijst op de dochters van Adam en zijn vrouw. De dochters worden wel in het geslachtsregister in Genesis 5 genoemd, maar zonder naam en toenaam.

Genesis 6: 2 Dat Gods zonen de dochters der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
Gods zonen. De hele Bijbel door wordt deze uitdrukking verbonden aan een bijzondere schepping van God. Een mens uit een mens geboren is niet zo’n bijzondere schepping van God. Dat is een natuurlijke geboorte. Adam zelf was wel zo’n bijzondere schepping van God en wordt in Lukas 3: 38 daarom ook een zoon van God genoemd.
In het Nieuwe Testament zijn gelovigen een nieuwe schepping van God.
2 Corinthe 5: 17 Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.
Efeze 2: 10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
Als een nieuwe schepping van God wordt de gelovige in het Nieuwe Testament ook ‘zoon van God’ genoemd.
Johannes 1: 12 – 13 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om zonen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, doch uit God geboren zijn.
Romeinen 8: 14 – 15 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader.
In het Oude Testament komen we deze nieuwe schepping in Christus niet tegen. Het is dan ook onjuist om dit hier in Genesis 6 er in te lezen.
In het Oude Testament komen we de zonen van God wel degelijk veelvuldig tegen.
Job 1: 6 Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan.
Job 2: 1 Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan om zich voor de HERE te stellen.
Hier zijn het geestelijke machten die zich samen met de satan voor Yahweh opstellen.
Job 38: 4 - 7 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden?
Hier zien we dat deze geestelijke machten aanwezig waren als getuigen bij de schepping die we in Genesis 1 vanaf het tweede vers beschreven vinden. Zij waren dus reeds geschapen in Genesis 1: 1. Dat zij tot die schepping behoren blijkt uit Genesis 2: 1 waar zij onder de uitdrukking ‘al hun heer’ vallen.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: