U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 17: 20 En wat Ismaël betreft, Ik heb je verhoord; zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.
Ismaël. Zie Genesis 16: 11.
Ik zal. Zie Genesis 17: 2. (Hier tweemaal)
Uitermate. Weer dezelfde dubbele uitdrukking als in vers 2 en vers 6, waarbij de El Shaddai zijn overvloeiende genade weer tentoon spreidt.
Twaalf vorsten. Letterlijk: ‘twaalf stamvorsten’.
Genesis 25: 16 Dit zijn dan de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun tentenkampen, twaalf vorsten naar hun volksstammen.
De koningen van Genesis 17: 6 waren bestemd voor het nageslacht van Izaäk.

Genesis 17: 21 Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Izaäk, die Sara je op deze zelfde tijd in het volgend jaar baren zal.
Ik zal. Zie Genesis 17: 2.
Izaäk. Zie Genesis 17: 19.
Sara. Zie Genesis 17: 15.

Genesis 17: 22 Toen God geëindigd had met hem te spreken, voer Hij van Abraham op.
Voer Hij op. Yahweh was dus neergedaald om met Abraham te spreken.
Exodus 19: 20 Toen daalde Yahweh neder op de berg Sinaï, op de bergtop, en Yahweh riep Mozes naar de bergtop, en Mozes klom naar boven.
Evenals er bij Mozes sprake was van een letterlijk, materieel opklimmen naar boven, zo was er bij Yahweh sprake van een letterlijk, materieel neerdalen. Evenzo was er ook in onze uitgangstekst sprake van een heel letterlijk opvaren. Blijkbaar was Abraham daar ook getuige van.
Abraham. Zie Genesis 17: 4.

Genesis 17: 23 Daarop nam Abraham zijn zoon Ismaël en allen die in zijn huis geboren waren, ook allen die door hem voor geld gekocht waren, al wat mannelijk was onder Abrahams huisgenoten, en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals God tot hem gesproken had.
Abraham. Zie Genesis 17: 4.
Ismaël. Zie Genesis 16: 11.
Huisgenoten. Letterlijk: de mannen van het huis. Vandaar dat alle Ismaëlieten en de andere volkeren, die uit Abraham voortkwamen, in deze praktijk zijn blijven volharden.

Genesis 17: 24 En Abraham was negenennegentig jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden.
Abraham. Zie Genesis 17: 4.

Genesis 17: 25 En zijn zoon Ismaël was dertien jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden.
Ismaël. Zie Genesis 16: 11.
Dertien jaar. Dit is een verschil met de acht dagen van Izaäk. Alle Ismaëlieten en Arabieren besnijden nog altijd hun mannen op 13 jarige leeftijd.
Het verschil tussen de acht dagen en de dertien jaren is wellicht ook geestelijk. De één wijst op de opstanding, het nieuwe begin dat er nieuw leven uit de dood voortkomt. De ander wijst op de natuurlijke volwassenheid, waarbij men slechts in een uiterlijke verbondsrelatie komt.
Tot en met in het Nieuwe Verbond houdt de uiterlijke besnijdenis haar waarde. In de huishouding van het geheimenis hebben wij geen deel aan de besnijdenis, die werk van mensenhanden is (Efeze 2: 11), maar zijn wij besneden met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is (Colosse 2: 11). Wij zijn volkomen één gemaakt met het volbrachte werk van Christus.

Genesis 17: 26 Op diezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismaël besneden.
Abraham. Zie Genesis 17: 4.
Ismaël. Zie Genesis 16: 11.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: