U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 17: 14 En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken.
De man. Letterlijk het bijvoeglijk naamwoord: ‘mannelijk’. Aan Abraham is nooit als zijn kant van het verbond het besnijden van vrouwen voorgelegd door Yahweh.
Die mens. Hebreeuws: ‘nephesh’. Letterlijk: ‘die ziel’. Ziel is dus nooit een bezit van de mens, maar de mens zelf. Het uitroeien van de ziel vindt ook niet plaats ergens in de mens, maar geheel aan de mens zelf.
Zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten. Dit is een oordeel van God dat een man uit het volk Israël zal treffen als hij zich niet houdt aan zijn kant van het verbond met Yahweh. Het is niet een oordeel die door een rechtbank voltrokken zal worden, maar door God doordat zo’n persoon een vroegtijdige dood sterft.
Opvallend is dat Siporra, de vrouw van Mozes, de besnijdenis zelf een uitroeiing noemt door dit woord te gebruiken.
Exodus 4: 25 Toen nam Sippora een stenen mes, besneed [letterlijk dit woord: roeide uit] de voorhuid van haar zoon,
Iemand die tijdens de week van de ongezuurde broden iets gezuurds eet viel hetzelfde oordeel van God ten deel.
Exodus 12: 15 ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid.
Exodus 12: 19 ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal
uit de vergadering van Israël worden uitgeroeid.
Ook iemand die de heilige zalfolie, die gebruikt werd om priesters te zalven, voor zichzelf gebruikte viel onder hetzelfde oordeel van God.
Exodus 30: 33 De man die iets soortgelijks zal bereiden en iets daarvan op een onbevoegde laat komen, zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
Exodus 30: 38 De man die iets soortgelijks maken zal, om daaraan te ruiken, zal
uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
Ook degene die de sabbat ontheiligde viel onder ditzelfde oordeel van God.
Exodus 31: 14 ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten.
Ook hij die onrein het vlees van het vredeoffer at viel onder ditzelfde oordeel van God.
Leviticus 7: 20 – 21 Maar iemand die, terwijl onreinheid hem aankleeft, vlees eet van het vredeoffer dat aan Yahweh toebehoort, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden. En wanneer iemand iets onreins aanraakt, onreinheid van mensen of onreine dieren of enig onrein kruipend gedierte, en eet van het vlees van het vredeoffer dat aan Yahweh toebehoort, dan zal hij uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
Ook als men het vlees van het vredeoffer op de derde dag nog at viel men onder dit oordeel.
Leviticus 19: 8 Wie het eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige van Yahweh ontwijd heeft; zo iemand zal uit zijn volksgenoten worden uitgeroeid.
Ook degene die het vet van het vuuroffer at viel onder ditzelfde oordeel van God.
Leviticus 7: 25 Want ieder die vet eet van het vee, waarvan men een vuuroffer voor Yahweh brengt, (wie dat eet, zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden).
Wie bloed at viel ook onder ditzelfde oordeel van God.
Leviticus 7: 27 Al wie enig bloed eet, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
Leviticus 17: 10 Ieder van het huis Israëls en van de vreemdelingen, die in hun midden vertoeven, die enig bloed eet; tegen zo iemand, die dat bloed gegeten heeft, zal Ik mijn aangezicht keren en hem
uit het midden van zijn volk uitroeien
Leviticus 17: 14 Want, wat de ziel van alle vlees betreft, het bloed ervan is zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Gij zult van generlei vlees bloed eten, want de ziel van alle vlees is het bloed: ieder die het eet,
zal uitgeroeid worden.
Wie een offerdier niet op de juiste plek offerde viel ook onder ditzelfde oordeel van God.
Leviticus 17: 4 maar die niet brengt naar de ingang van de tent der samenkomst, om een offergave aan Yahweh te brengen voor de tabernakel van Yahweh, als bloedschuld zal dat die man worden aangerekend; hij heeft bloed vergoten en die man zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden.
Leviticus 17: 9 maar dat niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het de HERE te bereiden, die zal
uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
Ook het toewijden van de kinderen aan de afgoden viel onder ditzelfde oordeel van God.
Leviticus 20: 3 Ook zal Ik mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien, omdat hij van zijn kinderen aan de Moloch gegeven heeft, om mijn heiligdom te verontreinigen en mijn heilige naam te ontwijden.
Alle verering van afgoden viel onder ditzelfde oordeel van God.
Leviticus 20: 5 – 6 dan zal Ik mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn geslacht keren en Ik zal hem en allen die hem in zijn overspelige verering van de Moloch volgen, uit het midden van hun volk uitroeien. En iemand, die zich tot de geesten van doden of tot waarzeggende geesten wendt, om die overspelig na te lopen; tegen zo iemand zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien.
Incest viel ook onder dit oordeel van God.
Leviticus 20: 17 Een man die zijn zuster, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder, neemt en haar schaamte ziet en zij ziet zijn schaamte, een schande is het en zij zullen voor de ogen van hun volksgenoten worden uitgeroeid; de schaamte van zijn zuster heeft hij ontbloot, zijn ongerechtigheid zal hij dragen.
Ook het hebben van seksuele gemeenschap met je vrouw tijdens haar maandelijkse ongesteldheid viel onder dit oordeel van God.
Leviticus 20: 18 Een man die bij een vloeiende vrouw ligt en haar schaamte ontbloot; haar bron heeft hij ontbloot en zij heeft de bron van haar bloed ontbloot; beiden zullen zij uitgeroeid worden uit het midden van hun volk.
Hij die onrein naderde tot Yahweh viel onder dit oordeel van God.
Leviticus 22: 3 Zeg tot hen: Ieder in uw geslachten, die uit al uw nakomelingen nadert tot de heilige gaven die de Israëlieten aan Yahweh heiligen, terwijl zijn onreinheid nog aan hem is, die zal van voor mijn aangezicht uitgeroeid worden: Ik ben Yahweh.
Wie zich op de Grote Verzoendag niet verootmoedigde viel ook onder dit oordeel van God.
Leviticus 23: 29 Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten.
De reine man die het Passcha niet vierde viel ook onder dit oordeel van God.
Numeri 9: 13 Maar de man, die rein is, en niet op reis, en nalaat het Pascha te vieren, die zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten, omdat hij op de daarvoor bepaalde tijd de offergave van Yahweh niet heeft gebracht; die man zal zijn zonde dragen.
Zelfs een lasteraar, die met voorbedachten rade zondigde viel onder dit oordeel van God.
Numeri 15: 30 – 31 Maar wie iets met voorbedachten rade doet, hetzij geboren Israëliet, hetzij vreemdeling, die zal een lasteraar van Yahweh zijn, die zal uit zijn volk worden uitgeroeid, want hij heeft het woord van Yahweh veracht en zijn gebod geschonden; die zal zeker uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.
Als men zich niet reinigde na een lijk aangeraakt te hebben viel men ook onder dit oordeel van God.
Numeri 19: 13 Ieder die een lijk, enig mens, die gestorven is, aanraakt, en zich niet ontzondigt, verontreinigt de tabernakel van Yahweh, en hij zal uit Israel uitgeroeid worden; omdat het water der reiniging op hem niet gesprengd werd zal hij onrein wezen; zijn onreinheid is nog op hem.
Numeri 19: 20 Maar iemand die onrein geworden is, en zich niet laat ontzondigen, die zal
uit de gemeente uitgeroeid worden, omdat hij het heiligdom van Yahweh verontreinigd heeft; er is geen water der reiniging op hem gesprengd, hij is onrein.
Gods antwoord op de gruwelijk binnen het volk is telkens dezelfde.
Leviticus 18: 29 Want ieder die iets van al deze gruwelen doet, (degenen, die ze doen, zullen uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.
God handelt onmiddellijk en helder zichtbaar met Zijn verbondsvolk Israël. Hier in Genesis 17: 14 is als het ware de start met Zijn handelen met dit volk en dus treffen we ook hier voor het eerst dit publiekelijk handelen over zonden aan. Voor Israël is de zegen aards en direct aantoonbaar, maar ook de vloek is eveneens aards en direct aantoonbaar.
In de huishouding van het geheimenis, waar wij in deze tijd toe behoren, houdt God Zich verborgen. Hij grijpt niet direct aantoonbaar in. Dit is de tijd van de overweldigende rijkdom van Gods genade.
Al deze voorbeelden van Gods handelen met Zijn verbondsvolk Israël werpen een helder licht op Paulus voorschriften betreffende het Passcha in 1 Corinthe 11: 27 – 31. Ook daar wijst hij op de velen die ontslapen zijn en waarschuwt hij voor het oordeel dat hen direct kon treffen. We moeten goed beseffen dat ook het Nieuwe Verbond, waar in de Corinthebrieven sprake van is, met het volk Israël is gesloten en niet met ons.
Nog een laatste opmerking over het Hebreeuwse werkwoord dat hier telkens gebruikt wordt en vertaald wordt met ‘uitroeien’. Opvallend is dat telkens als er gesproken wordt over het verbond dat gesloten wordt, daar precies hetzelfde werkwoord voor ‘sluiten’ gebruikt wordt. De Bijbelteksten hiervan zijn zo veelvuldig dat ik ze hier niet citeer. Voorlopig kan ik nog geen logische conclusie trekken uit dit directe verband dat er dus ligt tussen deze sluiting van het verbond en Gods onmiddellijk ingrijpen bij het afwijken van het verbond.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: