U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Twee woorden vormen de sleutelwoorden van dit hoofdstuk: ‘besnijdenis’ & ‘belofte’. Deze twee woorden staan voor ‘dood’ & ‘genade’.
Dit is een groot verschil met de eigen inspanningen van Abraham in het voorgaande hoofdstuk. Er is nu veertien jaar sindsdien voorbijgegaan en als God zich nu aan hem openbaart is het als de God van alle genade in Zijn titel ‘El Shaddai’.
In dit hoofdstuk, zou je kunnen zeggen, is de mens dood en is God de enige die handelt. Hier houdt Abraham dan ook zijn mond in tegenstelling tot het voorgaande.
Genesis 15: 2 - 3 Toen zei Abram: Adonai Yahweh! wat zult U mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer? Voorts zei Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

Genesis 17: 1 Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen Yahweh aan Abram en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk;
Abram. Zie Genesis 11: 26.
God, de Almachtige. Dit is de eerste maal dat deze titel ‘El Shaddai’ in de Bijbel naar voren komt.
In de betekenis van het woord is ‘El’ feitelijk al ‘de Almachtige’, hoewel het woord nergens zo wordt weergegeven. ‘El’ is ‘Elohim’ in al Zijn kracht en macht. Het wordt evenals ‘Elohim’ in de Bijbel simpel weergegeven als ‘God’. Je kunt deze beide titels van God zo naast elkaar zetten dat ‘El’ de Almachtige is, waar ‘Elohim’ de Schepper is Die Zijn almacht in werking zet.
El’ is God die alles weet. ‘El’ had Zijn voorkennis over Abram met Melchizedek gedeeld.
Genesis 14: 18 – 20 En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God [El], de Allerhoogste. En hij zegende hem en zei: Gezegend is Abram door God [El], de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, en geprezen zij God [El], de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd.
El’ is God die alles ziet.
Genesis 16: 13 Toen noemde zij de naam van Yahweh, die tot haar gesproken had: U bent een God [El] van het aanzien; want, zei zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet?
El’ is God die alles volbrengt voor zijn volk.
Psalm 57: 2 Ik roep tot God [Elohim], de Allerhoogste, tot God [El], die het voor mij voleindigt.
Je kan zeggen dat in ‘El’ al de Goddelijke eigenschappen zijn samengebald.
Shaddai’ wordt telkens als ‘de Almachtige’ vertaald. Deze titel belicht ‘El’, oftewel God, niet als de bron van kracht, maar als de bron van genade. Deze titel wijst niet op de Schepper, maar op de Schenker. ‘Shaddai’ is de telkens meer Overvloeiende. Het wijst niet op Gods scheppende macht, maar op Zijn macht om in alle noden te voorzien.
Hier in Genesis 17 vinden we de eerste vermelding van God als ‘El Shaddai’. God wil Abram hier namelijk tonen dat Hij die met hem een verbond aangaat Zelf ook in alles wat nodig is zal voorzien. God wijst Abram hier op Zijn weg met hem in genade.
Als God de gelovigen in Corinthe onder het nieuwe verbond precies eender oproept om zich af te zonderen van het onreine, dan zien we dat God Zich ook aan hen met dezelfde titel ‘de Almachtige’ verbindt.
2 Corinthe 6: 17 – 18 Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine en Ik zal u aannemen, En Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Here, de Almachtige.
Wandel. Letterlijk: ‘blijf wandelen’.
Voor Mijn aangezicht. Zie Genesis 17: 18.
Wees onberispelijk. De tweede keer dat dit Hebreeuwse woord gebruikt wordt. Letterlijk: ‘blijf volkomen gaaf’. De eerste keer in Genesis 6: 9 wijst dit op het lichamelijk volkomen onbesmet zijn van Noach. In zijn geslacht had er geen vermenging plaatsgevonden met geestelijke wezens. Zij waren niet tot hybride vormen verworden en daardoor als mens verwoest.
Nu Yahweh Abram wijst op Zijn belofte van het komende zaad, waarschuwt Hij hem om ook niet vermengd te raken. Juist op ditzelfde moment ontstond namelijk bij de Kanaänitische volkeren wel degelijk deze vermenging.
Het bewijs dat dit onberispelijk zijn slaat op het lichamelijk gaaf zijn wordt, in al de volgende keren dat dit woord gebruikt wordt, geleverd. Het wijst dan telkens op de lichamelijke gaafheid van het offerdier.
De gedachte dat hier door God een wettische voorwaarde wordt gesteld aan Zijn verbond slaat dus nergens op.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: