U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 15 heeft ons de trouw van God getekend. Genesis 16 tekent ons de trouw van Abram.
In Hebreeën 6: 12 spreekt de schrijver over het door geloof en geduld beërven van de beloften. De beloften waren gedaan aan Abram. Nu nog geloof en geduld. Beiden waren niet overdadig aanwezig, zoals blijkt uit dit hoofdstuk. Gods beloften blijven evenwel staan.

Genesis 16: 1 Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar.
Saraï. Zie Genesis 11: 29.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Schonk hem geen kinderen. Eigen menselijke onbekwaamheid. Eigenlijk de dood. Prima basis voor genade om te werken.
Slavin. Letterlijk: ‘dienstmaagd’. Dit hoeft niet perse een slavin te zijn. Abigaïl stelt zich als dienstmaagd aan David voor in 1 Samuel 25: 41.
Hagar. Betekenis: ‘vlucht’. De betekenis van Hagar wordt in Galaten 4: 25 & 26 verklaart als: De berg Sinaï in Arabië. Die wordt daar op één lijn geplaatst met het tegenwoordige Jeruzalem.
Sara en Hagar vertegenwoordigen daar de twee beginselen van genade en eigen werken. Hagar staat voor de geestelijke doe het zelf beweging. Sara staat voor het blijde nieuws van genade alleen. Bij de doe het zelf beweging staat God stil om te zien wat de mens kan verrichten. Bij de genade staat de mens stil om te zien wat God kan doen.

Genesis 16: 2 En Sarai zei tot Abram: Zie toch, Yahweh heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai.
Saraï. Zie Genesis 11: 29.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Zal ik uit haar gebouwd worden. Zoals de uitdrukking ‘Huis’ veelal gebruikt wordt voor de familie, zo wordt dat huis gebouwd door het krijgen van kinderen.
Abram luisterde naar Sarai. Het blijde nieuws is: God werkt in genade. Onze eigen boodschap is telkens: Zelf doen. Ook Abram was een verwoed doe het zelver. Daar begint telkens de ellende.

Genesis 16: 3 En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw.
Saraï. Zie Genesis 11: 29.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Hagar. Zie Genesis 16: 1
Kanaän. Zie Genesis 10: 6. Zoon van Cham.
Gaf haar aan haar man. Menselijkerwijs gebeurde er niets wat niet door de beugel kon. Alles was volkomen legitiem volgens de normen en waarden van die tijd. Ook Bilha (Genesis 30: 4) en Zilpa (Genesis 30: 9) werden overeenkomstig § 146 van de wetten van Khammurabi, die destijds in die streek golden, aan Jakob geschonken tot vrouw.
Dit was echter geen geloof in de beloften en het was zeker geen teken van geduld.

Genesis 16: 4 En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen.
Hagar. Zie Genesis 16: 1.
Zij werd zwanger. Het doe het zelf plannetje slaagt. Wat zou Israël later een ellende krijgen van deze succesvolle operatie.
Verachtelijk. Onvruchtbaarheid werd als de grootste schande ervaren omdat het als het bewijs gezien werd van de onwaardigheid van de vrouw.
Bij de aardse zegen voor het volk Israël hoorde wel de vrucht van haar schoot (Genesis 49: 25; Leviticus 26: 9; Deuteronomium 7: 13; 28: 11; 30: 9; Psalm 127: 3; 128: 3).
Bij de aardse vloek voor het volk Israël hoorde het sluiten van de schoot (Deuteronomium 28: 18; Psalm 109: 13).
Dergelijke vervloekingen gelden zeker niet in onze huishouding van het geheimenis. Ook hier was het nog voor de tijd van Israël. Blijkbaar werd er in die cultuur wel al zo naar een onvruchtbare vrouw gekeken.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: