U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 15: 6 En hij geloofde in Yahweh, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.
Hij geloofde in Yahweh. Nu stelde Abram zijn vertrouwen op de woorden van Yahweh. In tegenstelling tot de daad van ongeloof in vers 2. Hij geloofde in het woord van Yahweh (Genesis 15: 1 en 4). Hij geloofde dus wat hij hoorde.
Romeinen 10: 17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus.
Hij rekende. Dit is rekenen in de betekenis van toerekenen of toewijzen. Zoals het saldo van de ene rekening naar de andere rekening wordt overgeboekt. Gods gerechtigheid wordt ons toegewezen. De gelovige is daarmee volkomen rechtvaardig.
Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. God verklaarde Abram rechtvaardig. Het hele onderwijs van rechtvaardigmaking wordt door Paulus uitvoerig uitgewerkt in Romeinen 4 en Galaten 3.
Galaten 3: 8 En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden.

Genesis 15: 7 En Hij zei tot hem: Ik ben Yahweh, die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in bezit te geven.
Ur. Zie Genesis 11: 28.
Chaldeeën. Zie Genesis 11: 28.
Om u dit land in bezit te geven. Gods belofte staat vast en zeker, hoewel naar onze berekeningen 400 jaar wel erg lang is. Toch was het naar Gods belofte reeds het eigendom van Abram.

Genesis 15: 8 En hij zei: Adonai Yahweh, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal?
Adonai Yahweh. De tweede vermelding van deze combinatie van titel en eigennaam. Zie Genesis 15: 2.
Waaraan zal ik weten? In vers 6 stond dat Abram de woorden van Yahweh geloofde. Dit is dus geen vraag uit ongeloof. Het is een vraag om een teken ter bevestiging. Dit is de tweede vraag van Abram in dit hoofdstuk. De eerste vonden we in vers 2. Het antwoord van Yahweh op deze tweede vraag is het eenzijdig verbond dat Hij in vers 17 en 18 met Abram sluit.
Gods weg met Zijn aardse volk Israël verloopt via tekenen.
1/ De tekenen in Egypte (Exodus 4: 9, 17, 28 en 30; 7: 3; 10: 1 en 2; Deuteronomium 4: 34; 6: 22; 7: 19; 11: 3; 26: 8; 34: 11; Jozua 24: 17; Nehemia 9: 10; Psalm 78: 43; 135: 9; Jeremia 32: 20 en 21; Handelingen 7: 36)
2/ De tekenen in het midden van het volk (Numeri 14: 11 en 22; Deuteronomium 29: 3; 1 Samuel 10: 7 en 9; 1 Kronieken 16: 12; Jesaja 8: 18; Johannes 2: 11 en 23; 3: 2; Hebreeën 2: 4)
3/ De tekenen in verband met het komende Koninkrijk (Daniel 4: 2 en 3; 6: 27; Markus 16: 17 en 20)
4/ De tekenen der tijden (Mattheus 16: 3; Lukas 21: 11 en 25; Handelingen 2: 19)
5/ De tekenen van de valse Messias (Mattheus 24: 24; Markus 13: 22; 2 Thessalonica 2: 9; Openbaring 13: 13 en 14; 16: 14; 19: 20)
6/ De tekenen zijn voor het volk Israël (Johannes 4: 48; 6: 2 en 26; 7: 31; 9: 16; 11: 47; 12: 37; 20: 30; Handelingen 2: 22 en 43; 4: 30; 5: 12; 6: 8; 8: 6 en 13; 14: 3; 1 Corinthe 1: 22)
7/ De tekenen als bewijs voor het volk Israël dat heidenen ook toegevoegd werden (Handelingen 15: 12; Romeinen 15: 19)
8/ De tekenen verbonden aan het apostelschap (2 Corinthe 12: 12)
Hier staat Abram als vader van dit volk aan de vooravond van de geboorte van dit volk en hij vraagt om een teken, hetgeen de gebruikelijke omgang wordt van het volk met Yahweh. In vers 13 en 14 wordt dan als teken de bevrijding van het volk uit Egypte vermeld. Dat is ook de gebeurtenis die in het Oude Testament het meest verbonden is aan de tekenen van Yahweh.
Dat ik het bezitten zal. Letterlijk vraagt Abram: ‘hoe zal ik het weten dat ik het erven zal’. Abram geloofde dus letterlijk dat hij als een zoon van God zal erven. Zijn vraag is niet of hij zal erven, maar hoe dit zal gebeuren. Yahweh onderwees hem in het zoonschap en het erfgenaam zijn. Yahweh legt hem in vers 13 en 14 uit dat dit zal gebeuren door lijden heen.
Romeinen 8: 17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.
Het zoonschap en het erfgenaam zijn is voor Israël direct verbonden aan het onvoorwaardelijk verbond dat Yahweh met Abram sloot. Het antwoord op het ‘hoe’ is door lijden heen.

Genesis 15: 9 En Hij zei tot hem: Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.
Haal mij. Letterlijk: ‘neem voor Mij’. De dieren dienen om Yahweh Zijn onvoorwaardelijk verbond te kunnen laten sluiten met Abram.
Driejarig. Tot drie maal toe wordt een driejarig dier als offer vermeld. De leeftijd waarop het dier in de kracht van zijn leven is.
De dieren. Hoewel er nog geen wet met voorschriften voor het brengen van offers is zijn dit precies de geoorloofde diersoorten, die Abram hier neemt. De vijf gedode dieren zijn de grondslag voor dit genadeverbond. Zij spreken van het volkomen offer dat Christus zou brengen als grondslag voor het Nieuwe Verbond.

Genesis 15: 10 Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet.
Legde de stukken tegenover elkaar. Als we goed opletten is er letterlijk geen sprake van het brengen van een offer. Er is geen altaar en de stukken worden niet verbrand. Toch komt het hele plaatje dat hier getekend wordt sterk overeen met het sluiten van een verbond bij een offer. Als dat gebeurt gaan namelijk beide partijen die een verbond sluiten tussen de offerstukken door. Daarmee geven ze symbolisch aan dat het onmogelijk is dat één van de partijen het verbond verbreekt.
Jeremia 34: 18 – 19 Ik zal de mannen die mijn verbond hebben overtreden, die de bepalingen van de verbintenis welke zij voor mijn aangezicht gesloten hadden, niet hebben gestand gedaan, maken als het kalf dat zij in tweeën deelden en tussen welks stukken zij doorgingen, de vorsten van Juda en de vorsten van Jeruzalem, de hovelingen en de priesters en het gehele volk des lands, die tussen de stukken van het kalf zijn doorgegaan;
Hier is echter geen sprake van een verbond tussen gelijkwaardige partijen. Dit is een eenzijdig verbond zonder voorwaarden aan het adres van Abram. Alleen God geeft een belofte zonder daar bij Abram iets voor terug te vragen. Opnieuw werkt hier weer genade en genade alleen. Pure genade wordt hier bezegeld doordat niet beide partijen tussen de stukken doorgaan. Het is in vers 17 uitsluitend de heerlijkheid van Yahweh, die wordt uitgedrukt in een rokende oven met een vurige fakkel, die tussen de stukken doorgaat.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: