U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 15: 1 Hierna kwam het woord van Yahweh tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.
Hierna. Na een overwinningsperiode komt een dip. Dat hoeft geen tijd te zijn waarin we van God verlaten zijn. Yahweh zelf verschijnt met Zijn bemoediging: ‘Vrees niet’. Ook in onze moeilijke periodes is Hij ons Schild en ons uitermate grote Loon.
Het woord van Yahweh. De allereerste keer dat deze uitdrukking in de Bijbel voorkomt. Gelijk wordt het in dezelfde gebeurtenis in vers 4 nog eens herhaald. Het Hebreeuwse woord ‘dabar’, met onze Nederlandse betekenis van ‘woord’, komt in dit vers tweemaal achter elkaar voor en wordt slechts eenmaal weergegeven in de vertalingen. In elk geval mogen we eruit opmaken dat Yahweh letterlijk hoorbaar met Abram spreekt.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Een gezicht. Dit is zelfs in de Bijbel een vrij uniek gebeuren. Het is een profetisch visioen dat de mens in een wakende toestand ziet. De andere twee keren in de Bijbel dat over een gezicht gesproken wordt is tweemaal bij Bileam in Numeri 24: 4 en 16, waar ook het kenmerk van een gezicht zien met open ogen genoemd wordt, en bij de valse profeten in Ezechiël 13: 7. Dit is dus de eerste keer dat het voorkomt in de Bijbel.
Vreest niet. Dit kon een bemoediging zijn om geen angst te hebben voor een vergelding door die Kanaänitische volkeren die Abram in het voorgaande hoofdstuk verslagen had. Het is echter veel aannemelijker dat het een bemoediging is om niet bang te zijn dat de belofte van een groot nageslacht in duigen valt vanwege zijn hoge leeftijd. Menselijkerwijs lijkt de hoop vervlogen. Voor God is er echter geen reden tot angst.
Ik ben uw schild. Dit had Abram in het vorige hoofdstuk letterlijk ondervonden in Genesis 14: 13 – 24.
Efeze 6: 16 neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven;
Uw loon zal zeer groot zijn. Letterlijk: ‘Uw loon zeer groot’. Yahweh is niet alleen zijn Schild, maar ook Zijn loon. Ook dit is de eerste vermelding van loon. De eerste vermelding geeft meestal een belangrijke les. Het loon mogen we in de eerste plaats in Yahweh zelf vinden. Het ligt dus niet in een materieel antwoord op eigen prestaties.

Genesis 15: 2 En Abram zei: Adonai Yahweh, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliëzer zijn.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Adonai Yahweh. Dit is de eerste maal dat de aanspreektitel Adonai voor de eigennaam Yahweh zo in de Bijbel voorkomt. Ook dit komt dan gelijk tweemaal voor in dit hoofdstuk (Genesis 15: 8). De eerstvolgende keer is dan pas in Exodus 23: 17. Adonai is de titel van Yahweh in Zijn relatie tot de aarde en in het volvoeren van Zijn doel in de zegeningen op de aarde. In die beperking heeft het ook overeenkomst met de naam Yahweh.
Heenga. Dit is een verwijzing naar het sterven dat Abram eigenlijk al verwachtte.
Wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga. Juist op het moment dat het geloof van Abram op een dieptepunt is, onderwijst Yahweh hem in drie grote waarheden: De rechtvaardiging, het zoonschap en het erfgenaam zijn. Zo is onze God van alle genade. Als wij het in ons geloofsleven niet meer zien zitten, tekent God ons al Zijn voortreffelijkheden in genade. Dit is de eerste vraag van Abram in dit hoofdstuk. Het antwoord van Yahweh is feitelijk leven uit de dood als Hij in vers 5 wijst op de lijfelijke zoon van Abram.
De bezitter. Letterlijk: ‘de zoon die het verkrijgt’. Wij zouden zeggen: ‘de erfgenaam’. In vers 3 wordt hij door Abram ook letterlijk de erfgenaam genoemd. Blijkbaar was de angst voor het niet doorgaan van Gods belofte bij Abram zo groot dat hij zijn slaaf als erfgenaam heeft aangewezen als hij toch kinderloos zou blijven.
Damascener. Afkomstig uit Damascus. Zie Genesis 14: 15.
Eliëzer. Betekenis: ‘God is de Helper’. In vers 3 wordt hij de onderhorige, oftewel de slaaf van Abram genoemd. Dit is het enige gedeelte waar deze knecht vermeld wordt. Er zijn nog wel veel meer andere personen met dezelfde naam.

Genesis 15: 3 En Abram zei: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Onderhorige. Letterlijk: ‘zoon van het huis’. Dit is: ‘slaaf’.
Moet mijn erfgenaam zijn. Letterlijk: ‘erft mij’. Een dergelijke instelling, dat een slaaf erft als er geen nakomelingen zijn, kom je niet in de Bijbel tegen. Wel is het terug te vinden in een Babylonische wetgeving (de wetten van Khammurabi § 191). Het is zeer wel mogelijk dat de mensheid in zijn geheel die wetgeving volgde, hoewel het verschil met de Bijbelse wetgeving negatief uitpakt voor deze Babylonische wetgeving.
Voor de wetgeving op de berg Sinaï was er in de Bijbel geen sprake van wetten.

Genesis 15: 4 En zie, het woord van Yahweh kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.
Het woord van Yahweh. De tweede vermelding.
Mattheus 18: 16 opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa.
2 Corinthe 13: 1 op de verklaring van
twee getuigen of van drie zal iedere zaak vaststaan.
Uw lijfelijke zoon. Op dit moment was er alleen nog maar sprake van twee afgestorven lichamen, die geen zoon konden voortbrengen. Leven uit de dood zou dus zijn erfgenaam zijn.

Genesis 15: 5 Toen leidde Hij hem naar buiten, en zei: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn.
Toen leidde Hij hem naar buiten. Dit gebeurde in het gezicht dat Abram ontving. Dat kan dus best overdag hebben plaats gehad.
Zie toch op. De hemelse belofte. Zie Genesis 13: 14.
De sterren. De hemelse roeping in Israël. Zie Genesis 13: 16.
Hebreeën 3: 1 Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus,
Hebreeën 11: 16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is
een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.
Indien gij ze tellen kunt. Onmogelijk. Zo was het ook onmogelijk het volk in haar glorietijd te tellen. Vandaar het bezwaar van Joab.
2 Samuel 24: 2 - 3 Toen zei de koning tot de legeroverste Joab, die bij hem was: Doorkruis al de stammen van Israel van Dan af tot Berseba toe; telt het volk, opdat ik het getal van het volk zal weten. Toen zei Joab tot de koning: Yahweh, uw Elohim, moge aan het volk honderdmaal zoveel toevoegen als er zijn, en mogen de ogen van mijn heer de koning het zien; waarom echter wenst mijn heer de koning dit?
De belofte is dat het volk Israël opnieuw zo’n ontelbare schare zal worden na de periode van grote verdrukking.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: