U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 13: 1 En Abram trok uit Egypte naar het Zuiderland, hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met hem.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Trok uit Egypte. Letterlijk: ‘Ging vanuit Egypte naar boven’. Dit staat tegenover Genesis 12: 10, waar Abram afdaalde tot in Egypte. Waar eigen plannen om de hongersnood te ontlopen hem in Egypte brachten, leidt genade hem er ook weer uit.
Egypte. Zie Genesis 12: 10.
Het Zuiderland. Dat is het zuidelijk deel van het beloofde land.
Lot. Zie Genesis 11: 27.

Genesis 13: 2 Abram nu was zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Zeer rijk. Letterlijk: ‘zwaar beladen’.
Zilver en goud. Dit was in het beloofde land een zeldzaamheid, maar het was in overvloed aanwezig in Egypte.

Genesis 13: 3 En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen Betel en Ai,
Van de ene pleisterplaats naar de andere. Letterlijk: ‘naar (of in overeenstemming met) zijn tochten’. Wordt overal opgevat als ‘van rustplaats tot rustplaats’.
Het Zuiderland. Zie Genesis 13: 1.
Betel. Zie Genesis 12: 8
Tent. Dit geeft aan dat hij een vreemdeling in het beloofde land was.
Ai. Zie Genesis 12: 8.

Genesis 13: 4 naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de naam van Yahweh aan.
Naar de plaats. Genade brengt hem weer op de bergtop waar hij eerder de gemeenschap met Yahweh beoefende.
Het altaar dat hij daar vroeger gemaakt heeft. Zie Genesis 12: 6 de aantekening over ‘Sichem’ en Genesis 12: 8 de aantekening over ‘Hij bouwde daar’.
Vroeger. Hetzelfde als ‘in het eerst’ in Genesis 13: 3.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Abram riep daar de naam van Yahweh aan. Dit is in het Hebreeuws een nieuwe hoofdzin en wijst dus niet terug naar het feit dat hij daar eerder de naam van Yahweh heeft aangeroepen. Dit is de tweede keer dat dit plaatsvindt. In Egypte was er geen plaats van aanbidding voor Abram.

Genesis 13: 5 En ook Lot, die met Abram mede ging, had schapen en runderen en tenten.
Lot. Zie Genesis 11: 27.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Tenten. Abram had een tent (Genesis 13: 3), Lot had tenten.

Genesis 13: 6 Maar het land liet niet toe, dat zij tezamen bleven wonen, want hun have was talrijk, zodat zij niet tezamen konden wonen.
Hun have. Kan letterlijk genomen op alle bezit slaan, zowel het levende als het levenloze bezit. Hier heeft het vooral betrekking op het vee omdat er niet genoeg wei was voor die grote menigten kudden van allebei.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: