U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 12: 7 Toen verscheen de HERE aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HERE, die hem verschenen was.
Toen verscheen Yahweh aan Abram. De eerste keer dat deze uitdrukking in de Bijbel voorkomt. Dit gebeurde in het beloofde land. Later (Genesis 17: 1) zou Yahweh opnieuw aan hem verschijnen. Bij de eerste beproeving van zijn geloof verschijnt Yahweh ter versterking van zijn geloof.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Uw nageslacht. De eerste belofte aan Abram van een zoon.
Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. De Kanaänieten waren daar (Genesis 12: 6). Er wordt nog niet gesproken over uitroeiing van die volkeren. Dit wordt actueel als het volk Israël het land binnentrekt.
Exodus 23: 23 Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
De duidelijke reden wordt voor het eerst vermeld in Numeri, waar we voor het eerst na de zondvloed weer over de Nefilim lezen. Toen de verspieders het land doortrokken zagen zij ze.
Numeri 13: 33 Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren,
De hybride vorm heet hier letterlijk ‘Nefilim’, wat vertaald wordt met ‘reuzen’. De vermenging van geestelijke machten met mensen was behoorlijk kleiner van omvang dan voor de zondvloed. Daar was het de hele mensheid. Hier is het slechts beperkt tot de volkeren van Kanaän.
Een altaar. Zie Genesis 12: 6 Sichem.

Genesis 12: 8 Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan.
Het gebergte. De hoogste top van het land was tevens de hoogste top van zijn geloofsleven.
De neiging is er om dit over te brengen naar een beeld van onze zegeningen in de hemelse. De grondslag om dit te doen wordt veelal gevonden in Paulus uitspraak in 1 Corinthe 10: 11, waar hij zegt dat alle gebeurtenissen van Israël hen overkomen is ons tot een voorbeeld. Als we het hele verslag van Paulus lezen in 1 Corinthe 10: 1-13 zien we dat Paulus over het volk Israël spreekt als ‘onze vaderen’. Voor de meeste van ons zijn deze gelovige Israëlieten beslist niet onze vaderen. Voor die gelovigen in Corinthe wel. Vandaar dat er zoveel typisch joodse zaken in die brieven zijn terug te vinden. Zij hadden geen deel aan de huishouding van het geheimenis, waar wij deel van uitmaken. Zij hadden deel aan het nieuwe verbond (2 Corinthe 3), dat met Israël gesloten wordt (Jeremia 31: 31). Het geheimenis, waar wij deel van uitmaken was toen zelfs nog niet geopenbaard.
De misser, die ontstaat als wij hier bij het gebergte in dit vers lessen putten voor onze positie in de hemelse, is dat we dan de les voorgeschoteld krijgen dat we dit bereiken door een bepaalde weg in gehoorzaamheid te volgen. Onze positie in de hemelse is echter uitsluitend te danken aan het werk van Christus, doordat we met Hem één gemaakt zijn in Zijn opstanding en verheerlijking. We zullen dan dus een les leren die haaks staat op Gods handelen in genade in deze tijd.
Dit is dus duidelijk een kwestie van rechte voren trekken bij het brengen van het woord der waarheid (2 Timotheus 2: 15), zodat we de zaken onderscheiden die verschillen (Filippi 1: 10).
Betel. Betekenis: ‘Huis van God’. Deze plaats heette eerst volgens Genesis 28: 19 Luz. Betekenis: ‘amandelboom’.
Ai. Betekenis: ‘ruïne’ of ‘puinhoop’.
Hij bouwde daar. Het altaar voor Yahweh kwam te liggen tussen Betel en Ai. Dit was wellicht de streek van de Gerizim en Ebal. Dit werden later voor het volk Israël heilige plaatsen (Deuteronomium 27: 12 & 13 – De zegen en de vloek; Jozua 8: 30 – een altaar voor Yahweh).

Genesis 12: 9 Daarna trok Abram steeds verder, naar het Zuiderland.
Trok Abram steeds verder. Hij bleef niet op de top, maar vertrok reeds in de richting van Egypte.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Het Zuiderland. Hebreeuws: ‘Negeb’. Een heuvelachtige landstreek in zuidelijk Juda.

Genesis 12: 10 Toen er hongersnood in het land uitbrak, trok Abram naar Egypte, om daar als vreemdeling te vertoeven, want de hongersnood was zwaar in het land.
Hongersnood brak uit in het land. Er worden dertien hongersnoden vermeld in de Bijbel. Tweede beproeving van het geloof van Abram. Nu verschijnt Yahweh niet. Hongersnood is evenals andere materiële zegeningen en tegenslagen een weergave van de geestelijke gesteldheid onder de verbonden. Blijft men in de weg van Yahweh, dan is er materiële zegen. Wijkt men af van Zijn weg dan is er tegenspoed (Deuteronomium 11). Abram was in het land al op weg richting Egypte (Genesis 12: 9).
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Trok naar. Letterlijk: ‘daalde af’.
Egypte. De eerste letterlijke vermelding in de Bijbel van dit grote land. Betekenis: ‘twee Misraïm’ of ‘twee grensgebieden’. Als Misraïm was er in die zoon van Cham wel al een verwijzing. Zie Genesis 10: 6.
Het was zonder meer beter geweest om in gemeenschap met Yahweh honger te verduren op het gebergte dan af te dalen en naar hartenlust te kunnen eten in de directe relatie met de Farao van Egypte.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: