U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 12: 11 Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zei hij tot zijn vrouw Saraï: Zie toch, ik weet, dat jij een vrouw bent schoon van uiterlijk.
Toen hij op het punt stond. Vlak voordat hij bij Egypte was gekomen blijft hij stilstaan om een afspraak te maken met Zijn vrouw Saraï. Tot op het laatste moment gewacht.
Egypte. Zie Genesis 12: 10.
Zei hij: Abram liet zich nu niet langer leiden door de belofte dat hij via Saraï het beloofde nageslacht zou ontvangen. Hij zette die hele belofte als het ware in de waagschaal omdat hij voor zijn eigen leven vreesde. Onder het verbond is het de Geest die de mens wil en kan leiden. Ook daar is genade voor de weg. Maar Abram vertrouwde daar niet meer op.
Saraï. Zie Genesis 11: 29.

Genesis 12: 12 Wanneer de Egyptenaren u zien, zullen zij zeggen: Dit is zijn vrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven laten.
Egyptenaren. Inwoners van Egypte en nakomelingen van Misraïm, de zoon van Cham. Zie Genesis 12: 10 en 10: 6.
Zullen mij doden. De derde beproeving was angst voor zijn leven. De hele belofte van Yahweh van het beloofde zaad was de mist ingegaan als het aan Abram had gelegen. Gelukkig greep Yahweh zelf in (Genesis 12: 17). Zo werkte genade onder de belofte. Zo werkt gelukkig Gods genade nog altijd. Hij zorgt dat ons leven tot Zijn doel komt. Gods belofte aan Abram blijft onverminderd staan (Genesis 13: 15).

Genesis 12: 13 Zeg toch, dat jij mijn zuster bent, opdat het mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het leven moge blijven.
Mijn zuster. Zie Genesis 11: 31 en 20: 12.
Ik in het leven mag blijven. Letterlijk: ‘Mijn ziel zal leven’. De ziel staat weer voor de hele persoon Abram.

Genesis 12: 14 Zodra Abram Egypte binnentrok, zagen de Egyptenaren, dat de vrouw zeer schoon was;
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Egypte. Zie Genesis 12: 10.
Egyptenaren. Zie Genesis 12: 12.
Zagen dat de vrouw zeer schoon was. Bijbelcritici wijzen er graag op dat dit niet kon omdat in die oosterse landen de vrouwen gesluierd over straat gingen. In Egypte was dit echter helemaal geen gebruik en blijkbaar gingen Abram en Saraï niet tegen dit afwijkend gebruik in.

Genesis 12: 15 en toen de vorsten van Farao haar zagen, roemden zij haar bij Farao, zodat de vrouw naar het huis van Farao gehaald werd.
Farao. De eerste vermelding van deze vorsten van Egypte in de Bijbel. Betekenis: ‘paleis’ of ‘koning’. Het is de officiële aanspreektitel voor alle Egyptische koningen, zoals wij die nog kennen als ‘keizer’ of ‘tsaar’.

Genesis 12: 16 En hij deed Abram wel om harentwil, zodat hij schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Geen paarden. Ook dit argument wordt graag gehanteerd door Bijbelcritici. Egypte stond toch bekend om zijn paarden? Tot op de 18e dynastie van Egypte waren er geen paarden in dat land.

Genesis 12: 17 Maar de HERE sloeg Farao met zware plagen, evenals zijn huis, vanwege Saraï, de vrouw van Abram.
De Here. Ook hier toont Yahweh aan een Farao, die op zich onbekend was met Yahweh, Wie verantwoordelijk was voor de zware plagen. De Farao zag het daardoor niet als een toevallige gebeurtenis of iets wat de hem bekende goden hem aandeden.
Farao. Zie Genesis 12: 15.
Sloeg Farao met zware plagen. Abraham zou een zegen zijn voor alle geslachten van de aardbodem (Genesis 12: 3). Dat was zo als hij wandelde in de weg van de belofte en genade. Nu was het ongekeerde het geval. Abram is tot een vloek voor zijn omgeving.
Saraï. Zie Genesis 11: 29.
Abram. Zie Genesis 11: 26.

Genesis 12: 18 Toen riep Farao Abram en zei: Wat hebt gij mij daar aangedaan? Waarom hebt gij mij niet meegedeeld, dat zij uw vrouw is?
Farao. Zie Genesis 12: 15.
Abram. Zie Genesis 11: 26.
Waarom heb je mij niet meegedeeld dat zij uw vrouw is? Er staat nergens hoe hij erachter is gekomen. Wellicht dat hij doorhad dat zijn ziekte vanwege Saraï was (Genesis 12: 17). Misschien heeft hij Saraï hierover ondervraagd. Ook kan het zijn dat Yahweh het hem Zelf heeft bekend gemaakt.

Genesis 12: 20 En Farao gaf enige mannen omtrent hem opdracht, en zij deden hem, zijn vrouw en al wat hij bezat, uitgeleide.
Farao. Zie Genesis 12: 15.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte: