U bevindt zich hier: De Bijbel Door

Genesis 1: 16 En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren.
Hier weer hetzelfde werkwoord als in vers 7.

Genesis 1: 20 En God zei: Dat de wateren wemelen van levende wezens, en dat het gevogelte over de aarde vliegt langs het uitspansel des hemels.
Opnieuw hetzelfde als in vers 3
Levend. Dit is de eerste maal dat het hebreeuwse woord ‘nephesh’ gebruikt wordt, dat letterlijk ‘ziel’ betekent. Het wijst op het leven van deze dieren. Je kan hier eventueel wel weergeven dat ze ziel hebben, maar niet dat ze ‘een’ ziel of ‘de’ ziel hebben. Ze leven, dat wordt ermee aangegeven.

Genesis 1: 21 Toen schiep God de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens, waarvan de wateren wemelen, naar hun aard, en allerlei gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
Dit is de eerste keer in de vernieuwing van de schepping dat God ‘schiep’.
Levende. Zie vers 20.

Genesis 1: 22 En God zegende ze en zei: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de wateren in de zeeën, en het gevogelte worde talrijk op de aarde.
De eerste vermelding van zegen op de vernieuwing van de schepping. Zegen is het Goddelijk stempel op Zijn werk.

Genesis 1: 24 En God zei: Dat de aarde voortbrengt levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo.
Opnieuw hetzelfde als in vers 3
Levende. Zie vers 20.

Genesis 1: 25 En God maakte het wild gedierte naar zijn aard en het vee naar zijn aard en alles wat op de aardbodem kruipt naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
Hier weer hetzelfde werkwoord als in vers 7.

Genesis 1: 26 En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
Hier weer hetzelfde werkwoord als in vers 7.
Het woord ‘mensen’ is het Hebreeuwse woord ‘Adam’. Het staat hier zonder lidwoord en betreft daarom de ‘mensheid’. Vandaar dat er ook naar terugverwezen wordt met het woordje ‘zij’ in ‘opdat zij heersen’.
Ons beeld, Onze gelijkenis. Verwijst naar het uiterlijk en niet naar het morele.

Genesis 1: 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
Dit is de tweede keer in de vernieuwing van de schepping dat God ‘schiep’. De nadere beschrijving van deze schepping komt pas in het tweede hoofdstuk.
Het woord ‘de mens’ is opnieuw ‘Adam’, maar nu met het lidwoord. Dat is die ene mens Adam, die God hier mannelijk en vrouwelijk schiep.
Er is in deze twee teksten geen sprake van twee scheppingen van de mens. De mens Adam is geschapen en in hem is de mensheid gemaakt. We moeten opnieuw hier het verschil tussen scheppen en maken goed onderscheiden.

Genesis 1: 28 En God zegende hen en God zei tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.
De tweede vermelding van zegen op de vernieuwing van de schepping. Zie vers 22.
Heerst. Bij de schepping van de mens ziet God al het uiteindelijk doel van de mens in de toekomende wereld. (Hebreeën 2: 6-8).

Genesis 1: 29 En God zei: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen.
Tot spijze. Er is pas sprake van het eten van vlees na de zondvloed (Genesis 9: 3).

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende

Verwante Artikelen

Hier vindt u de verwijzingen naar andere artikelen die ook betrekking hebben op hetzelfde Bijbelgedeelte:
Studies Machtelt:
God Brengt Orde
Heerlijk Rusten
Schepping Van De Mens