U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan

Het Geheimenis & De Schrijver

De brief aan de Efeziërs en de brief aan de Kolossenzen.
Handelingen 28: 28 Het zij u dan bekend dat deze behoudenis van God tot de volken is gezonden; zij zullen ook horen.
Van af nu wordt de behoudenis van God tot de heidenen gezonden, zonder tussenkomst van Israël.

Het geheimenis.
In deze twee jaar van gevangenschap krijgt Paulus inzicht in het geheimenis, het wordt hem van Godswege geopenbaard.

Het geheimenis houdt in dat God zich in deze tijd uit Joden en heidenen een lichaam verzamelt, waarvan Jezus zelf het hoofd is.
Dus niet een lichaam zoals we dat vinden in 1Kor. 12:12-31. Hier gaat het over een plaatselijk lichaam (het woord wordt hier gebruikt als metafoor, zoals een bedrijf een log lichaam kan zijn). In dit lichaam wordt vooral de nadruk gelegd op het feit dat we elkaar nodig hebben Het oog kan niet zeggen tegen de hand: ik heb je niet nodig. In dit gedeelte is ook sprake van het oog en het oor, delen van het hoofd, het hoofd maakt dus deel uit van het lichaam op aarde. Alle gelovigen in Korinthe maken dus deel uit van een kompleet lichaam, die Christus toebehoort.

Maar de gemeente, het lichaam van Christus, omvat alle gelovigen welke samen met het hoofd, Christus, één letterlijk lichaam zijn. Daarom kan Paulus ook zeggen in Ef.2:6 God heeft ons mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus Jezus. Dit is dus onze positie; boven in Christus, één met Hem.

Dit geheimenis is alle eeuwen door verborgen geweest; dat houdt dus in dat we het niet terug kunnen vinden in de tot die tijd bestaande geschriften, zowel het hele oude testament, als ook de evangeliën en de brieven die in die tijd geschreven zijn. Dat maakt de prediking voor Paulus zwaar. De mensen in Berea werden geprezen omdat zij nagingen of de zaken waarover Paulus sprak ook alzo waren (Hand.17:11). Zelf legt Paulus aan de hand van de wet en de profeten aan de vooraanstaande Joden in Rome uit dat Jezus de beloofde Messias is. En ook in 1Kor.14:29 zegt Paulus: En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen. Dit was ook mogelijk omdat de boodschap terug te vinden was in het oude testament; het was de boodschap aangaande de beloofde Messias en het koninkrijk.

Nu echter is dit tijdelijk terzijde gesteld en openbaart God aan Paulus een totaal onbekende waarheid, waarvan niemand iets terug kon vinden in de geschriften. De mensen moeten simpelweg geloven wat hij zegt, er zijn in deze brieven ook opvallend weinig aanhalingen uit het oude testament. Hierom is het ook dat Paulus voorbede vraagt zoals in Ef.6:19 ...dat mij bij het openen van mijn mond het woord gegeven mag worden om met vrijmoedigheid de verborgenheden van het evangelie bekend te maken.

Het geheimenis was een verborgenheid, omdat het onbekend was, maar je zou ook kunnen zeggen omdat God in deze tijd verborgen is voor de aarde; Hij werkt in het verborgene. Bij de boodschap van het koninkrijk was alles duidelijk zichtbaar; het was een uiterlijk volk, die en uiterlijke koning verwachtte, welks komst gepaard zou gaan met uiterlijke tekenen. Dat alles is nu tijdelijk voorbij.

De overeenkomsten tussen de brieven zijn dus opvallend, maar er is ook een duidelijk verschil.
De brief aan de Efeziërs laat ons de waarheid vooral zien vanuit de positie van het lichaam, terwijl de brief aan de Kolossenzen vooral gaat over het Hoofd van het lichaam. Daar zullen we in ons verdere onderzoek ook op letten.

De schrijver.
Paulus noemt zichzelf apostel. We vinden in het nieuwe testament meerdere apostelen, maar er is wel verschil.

De meest bekende zijn natuurlijk de twaalf apostelen, die de Here Jezus zelf heeft uitgekozen tijdens Zijn omwandeling hier op aarde. Van deze twaalf is Judas afgevallen. In handelingen 1 vanaf vers 15 kunnen we lezen hoe en waarom er een nieuwe apostel moest worden gekozen. Daar vinden we dan ook een aantal kenmerken van het apostelschap. Zoals in vers 20 Laat een ander zijn opzienerschap nemen. Apostelen zijn dus opzieners. Verder lezen we in vers 21 Er moet dan van de mannen die met ons samen kwamen al de tijd dat de Here Jezus met ons inging en uitging, te beginnen bij de doop van Johannes tot op de dag dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige van Zijn opstanding worden.

Een apostel moest dus getuige zijn van het leven de dood en de opstanding van Jezus. Dit gold voor dit apostelschap (vers 25). Dat geeft dus al aan dat er ook een ander apostelschap was. De twaalf komen we verder in de schrift tegen als de twaalf apostelen van het Lam (openbaring 21:14) Zij hebben te maken met het koninkrijk en zullen ook straks daar nog een taak hebben.

Paulus hoort hier niet bij. Hij is wel een apostel, maar noemt zichzelf apostel van Christus Jezus. Hij hoorde niet bij dat selecte groepje dat de Heer hier op aarde had meegemaakt, daar was hij geen getuige van. Wel had hij de opgestane en verheerlijkte Heer gezien op de weg naar Damascus (hand.9). Hij is dus ook geen opziener zoals de twaalf in het koninkrijk, maar is verbonden ook in zijn dienst met de verheerlijkte Heer in de Hemel. Hem zijn de geheimenissen aangaande het Lichaam van Christus toevertrouwd. De verborgenheden zijn hem geopenbaard.

In deze tijd vinden we dus geen apostelschap meer; geen apostel van het Lam, want er zijn geen getuigen meer die de Here Jezus hebben gekend tijdens zijn omwandeling hier op aarde, maar ook geen apostel meer zoals Paulus, omdat de geheimenissen door hem al geopenbaard zijn.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende