U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan

Dood en opstanding

Al eerder hebben we gezien dat Paulus de vragen stelt, die naar aanleiding van zijn uiteenzetting bij de lezer opkomt. Hier vinden we er weer zo één.

In hoofdstuk 5:20 zegt Paulus:

Waar de zonde toenam, is de genade veel overvloediger geworden.

Korte conclusie: hoe meer ik zondig, hoe meer genade ik ontvang. Dat is dan ook de vraag die Paulus in hoofdstuk 6:1 formuleert:

Wat moeten wij dan zeggen? Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

Zijn antwoord is kort en duidelijk: Volstrekt niet! Hetzelfde antwoord dat we ook tegenkwamen in hoofdstuk 3 de verzen 4,6 en 31 en wat we ook nog verder enkele malen tegen zulle komen. Kort en bondig, maar hij legt het ook uit in vers 2:

Hoe zouden wij die ten opzichte van de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? Of weet u niet….

Ja de volgende verzen hadden eigenlijk bekend moeten zijn, maar gelukkig wisten de Romeinen dat niet meer zo goed, daarom is het opgeschreven en kunnen wij het ook lezen. Vers 3:

Of weet u niet, dat wij allen die tot Christus Jezus gedoopt zijn, tot zijn dood gedoopt zijn?

Dit is wel de meest gebruikte tekst om de waterdoop uit te leggen, maar het gaat hier helemaal niet over de waterdoop. Dopen betekent gewoon onderdompelen of één maken met. In onze tekst staat ook niet tot Christus, maar in Christus. Het gaat om het Griekse woordje ‘eis’ , dat hier vertaalt is met tot, maar eigenlijk betekent het ‘tot in’ of gewoon ‘in’. We zijn dus gedoopt in Christus Jezus, dwz in zijn dood. Of zoals we in vers 5 kunnen lezen:

Want als wij met Hem één geworden zijn in de gelijkheid van zijn dood…

Dopen betekent dus in dit geval één worden met.

Die één wording met zijn dood had een doel, nl vers 4:

Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

Of zoals vers 5 zegt:

Want als wij met Hem één geworden zijn in e gelijkheid van zijn dood, dan zullen wij het ook zijn in de gelijkheid van zijn opstanding

Met andere woorden zonder dood geen opstanding en als we niet zijn opgewekt kunnen we ook niet in nieuwheid des levens wandelen.





Nu nog even terug naar de waterdoop. Is er dan geen doop in water? Ja zeker wel, we vinden deze ook regelmatig terug in de handelingen. Petrus zegt bv in zijn toespraak in hand.2:38

Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden.

Hier wordt niet het woordje eis gebruikt, maar het woordje etti en dat betekent op grond van. Er was dus een waterdoop op grond van de naam van Christus Jezus. Hier was geen sprake van één wording met Christus, maar in zekere zin een één wording met water. Het doel van deze doopwas vergeving van zonden, dus reiniging. Dat was voor de joden niets nieuws, dat kenden ze wel. In het oude testament komen we vele reinigingen tegen, o.a. wanneer je genezen was van melaatsheid, dan moest je je reinigen door onderdompeling in water. Het is dus een typisch Joods gebruik. Daarom past het ook perfect in de nieuwe verbonds gemeente. Dat is immers een gemeente van Israël. Het was altijd al zo dat als een heiden zich bij Israël wilde voegen hij zich moest laten dopen. Maar nu moesten ook de joden zich laten dopen tot vergeving van zonden. Daarmee gaven ze te kennen dat ze voortaan bij Jezus hoorden, vandaar dat ze ook op grond van de naam van Jezus gedoopt werden.

In onze gemeente, de gemeente het lichaam van Christus, worden we niet één gemaakt door zo iets uiterlijks als de waterdoop. Voor ons geldt dat God nu verborgen is voor deze wereld en in het verborgene vormt Hij een lichaam. Het lichaam van Christus is verborgen en al Gods handelen is in het verborgene. We leven dan ook in de tijd (of bedeling) van de verborgenheid. Daar horen dus ook geen uiterlijke handelingen bij. Dus geen doop of avondmaal o.i.d.. Maar we zijn wel gedoopt in Christus, in zijn dood. Dat is in het verborgene gebeurt, niemand ziet dat aan ons. Maar wij weten dat het wel een werkelijkheid is. We zijn met Christus gestorven en we zijn ook met Hem opgewekt (zie ook Ef 2:6).

De behoudenis is in alle tijden door de dood en opstanding van Christus Jezus, met of zonder waterdoop.





Terug naar hoofdstuk 6. Dit hoofdstuk staat bol van het weten en geloven. En ook geloven is weten. Hebr.11:1

Het geloof is de zekerheid van wat men hoopt, de overtuiging van wat men niet ziet.

Dus ook feiten, maar wel onzichtbaar.

In vers 6-10 lezen we wat die één wording met Christus nou precies inhoudt. We zijn met Hem één geworden aan het kruis, zodat we vrij zouden zijn van de zonde. Vers 7:

Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

Maar ok, we zondigen niet meer omdat we dood zijn. Als je dood bent doe je helemaal niets meer. Daarom zijn we dan ook met Hem opgestaan uit de dood. Zoals de dood niet meer heerst over Christus, zo heerst hij ook niet meer over ons. Sterven we dan niet meer? Natuurlijk wel ons lichaam sterft nog, maar de zonde (die de oorzaak was van de dood) heerst niet meer in ons leven.

In vers 10 zegt Paulus over Christus:

Want wat Hij is gestorven, is Hij eens voor altijd ten opzichte van de zonde gestorven, maar wat Hij leeft, leeft Hij voor God.

En daar zijn wij één mee gemaakt, dus dat geldt ook voor ons, daarom zegt hij ook in vers 11:

Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.

Ga dus uit van deze waarheid. Je bent dood ten opzichte van de zonde, waarom zou je dan bij de zonde blijven? We mogen leven voor God; de Here Jezus is nu ons leven geworden, Hij zondigt toch niet meer!

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende