U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan

Overheid: Gods Dienares

Romeinen 13 is een voortzetting van hoofdstuk 12, uiteraard, want in de grondtekst is geen indeling in hoofdstukken. We gaan dus gewoon verder met de wandel van de gelovig. Let wel, het gaat nog steeds over de gelovige in de nieuwe verbondsgemeente. Hun uitzicht was het koninkrijk, een aardse toekomst dus. Kunnen we dit dan niet gewoon overslaan? Nee, want de zaken die hier genoemd worden betreffen de wereld, waarin wij nu leven.

De eerste zeven verzen gaan over de verhouding tussen overheid en onderdanen. Daarover zegt Paulus in het eerste vers:
Er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.
Het gaat om het principe van overheid. Zonder overheid zou ons land een chaos zijn. Hoe je ook denkt over de wijze van regeren, het is altijd beter dan geen regering. Geen regering betekent chaos. Dat zien we in landen waar een revolutie is geweest, waarbij de huidige regering wordt afgezet en er nog geen nieuwe is. Dat loopt uit op moordpartijen, diefstal, plundering en alle bijkomende ellende. Dat is ook de reden dat hoe nodig de revolutie ook was, en hoe slecht de voorgaande regering ook was, mensen toch terugverlangen naar het oude regime.

In vers 4 zegt Paulus dan ook:
Want zij is Gods dienares, u ten goede.
Tot drie keer toe wordt in dit gedeelte de overheid aangeduid als dienares van God, nl tweemaal in vers 4 en ook nog in vers 6
Paulus zegt niet dat deze dienares van God altijd goed handelt. In het Rome onder Nero was dat zeker niet het geval, maar dat betekende nog niet dat je in opstand moest komen. Wat de wereld doet moet zij zelf weten, maar onze taak is niet om de revolutie uit te roepen. Als Christen mogen we ons onderschikken aan de overheid. Natuurlijk tot op zekere hoogte. Zoals we bv zien in handelingen 5:29b
Men moet God meer gehoorzaam zijn dan mensen.

De Joodse overheid had Petrus en de andere apostelen bevolen niet meer te leren in de naam van Jezus. Dat gaat dus een stap te ver, want God had hen juist deze taak gegeven. Dat het gevolg daarvan gevangenschap en soms zelfs de dood was, dat namen ze dan voor lief. Dat viel dan weer onder het gezag van de overheid. Dit gold ook voor de christenen in Rome. Als zij bij het geloof bleven, liepen zij het risico voor de leeuwen te worden geworpen.

Daar verzetten zij zich dan niet tegen, hoewel ze natuurlijk uit hun handen probeerden te blijven door bv samen te komen in de catacomben.
Maar in principe geldt vers 3 en 4:
Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben, want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs.

Als straks het koninkrijk van God op aarde praktijk zal zijn, zullen we pas echt zien hoe God de overheid bedoeld heeft. Tot die tijd moeten we het doen met een gebrekkige en soms zelfs zondige uitoefening van het gezag, dat door God is ingesteld.

In hoofdstuk 12:9 lezen we al
De liefde zij ongeveinsd.
Hier gaat Paulus verder en zegt in vers 8
Weest niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben.
Het tussenliggende gedeelte staat niet zomaar op deze plaats. Ook als het gaat om onze verhouding met de overheid, wordt ons gedrag gekenmerkt door liefde. Wat we ook doen, met wie we ook in relatie staan, ons kenmerk, ons uitgangspunt is liefde. Want Gods handelen wordt ook altijd gekenmerkt door liefde.

Hebben we het gehad over onze verhouding tot de overheid, hier gaat Paulus in op onze verhouding tot onze naaste.
De gelovigen in de nieuwe verbondsgemeente mochten de wet vervullen; de wet, die God in hun binnenste zou schrijven. Hier laat Paulus zien, dat de hele wet zijn vervulling vindt in de liefde. Als het gaat om de verhouding tot de naaste, dan zegt de wet: vers 9b
U zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Ook de Here Jezus wijst hierop, als de farizeeën Hem verzoeken door te vragen wat het grote gebod in de wet is Mattheüs 22:37-40
Hij nu zei tot hem: “U zult de Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand”. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede nu, daaraan gelijk: ”U zult uw naaste liefhebben als uzelf”. Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten.
Dus onze verhouding met God wordt gekenmerkt door liefde en ook onze verhouding met onze naaste wordt gekenmerkt door liefde. Alle andere geboden volgen hier automatisch uit. Of zoals Paulus in vers 10 zegt:
Daarom is de liefde de vervulling van de wet

Geldt dit nu alleen voor de gelovigen van de nieuwe verbondsgemeente? Of geldt dit ook voor ons, leden van het lichaam van Christus, wij hebben immers niets meer te maken met de wet? Toch wel. Ook ons leven wordt gekenmerkt door liefde. Wij hebben immers de zin van Christus. Hij is toch ons leven. En zijn leven wordt gekenmerkt door liefde.

In vers 11 wijst Paulus op de tijd, waar deze gelovigen in Rome in leefden:
En dit te meer omdat wij de tijd kennen, dat het uur voor u al daar is om uit de slaap te ontwaken; want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen.
Wordt wakker zegt Paulus, want de dag is nabij, de behoudenis is aanstaande. De behoudenis waar Paulus hier op doelt wordt gekenmerkt door de wederkomst van Christus en daarbij de komst van het koninkrijk van God. Daar keken zij naar uit, dat was hun belofte. Dus, met andere woorden, deze ayon loopt op zijn eind en de volgende ayon, waarin gerechtigheid woont, is komende. Tja, je zou denken dat Paulus zich hier toch wel behoorlijk vergiste, het duurt nu al bijna tweeduizend jaar langer! Maar we moeten niet vergeten dat Paulus deze brief geschreven heeft in de handelingenperiode, dus voordat hem het geheimenis werd geopenbaard. We leven nu in een tussengeschoven periode, die al ongeveer 2000 jaar duurt. Hij leefde toen in de wetenschap dat de Here Jezus spoedig zou komen.
Vers 12 De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij.

Maar voor de gelovige geldt dat zij nu al in de dag leven. Vers 12 en 13:
Laten wij dan de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen. Laten wij, als op de dag, welvoeglijk wandelen.
Dat is dus de wandel in overeenstemming met de roeping waarmee deze gelovigen geroepen zijn. Maar hoe kunnen ze dat doen?
Vers 14 maar doet de Here Jezus Christus aan, en wijdt geen zorg aan het vlees om aan begeerten te voldoen.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende