U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan

IsraŽl winnen via de heidenen

In Romeinen 9 hebben we gezien dat Israël gevallen is, gestruikeld over de steen des aanstoots. Geen makkelijke boodschap voor Paulus, want zijn liefde, zijn hart is bij zijn broeders naar het vlees. Het is tenslotte zijn eigen volk, maar er is nog een reden; ze zijn ijverig voor God.
Romeinen 10: 2: Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar zonder verstand.
Ze zijn eigenwijs, ze proberen uit alle macht hun eigen gerechtigheid op te richten, zoals blijkt uit vers 3. Zij kennen Gods gerechtigheid niet en dan blijft er niets anders over dan eigengerechtigheid. Het ontbreekt hen aan wijsheid van God, daarom zijn ze eigenwijs. Laten we even vooruitblikken naar hoofdstuk 12:2, waar staat …wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken… Hier staat dat ons verstand vernieuwd is door ons geloof in Christus Jezus. Dat is de eerste verandering die plaats vindt. Het is dus niet verwonderlijk dat dat verstand bij de onbekeerde Jood ontbreekt. Als zij zich bekeerd hadden, dan hadden zij verstaan wat in vers 4 staat:
Want Christus is het einde van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

Het woord dat hier vertaald is met einde is telos en dat betekent voltooiing. Het woord tetelestai is hier van afgeleid en dat is het woord dat Jezus riep op het kruis van Golgotha. Tetelestai – het is volbracht.
Christus is de voltooiing van de wet. Alles waar de wet voor is bedoeld en alles waar de wet naar toe wijst en alles wat door de wet verkregen kan worden vinden we in Christus.
Er staan in dit gedeelte twee dingen tegenover elkaar nl. gerechtigheid door de wet en gerechtigheid door geloof. Laat we eerst eens kijken naar de gerechtigheid door de wet, vers 5:
Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van de wet is: “De mens die deze dingen heeft gedaan, zal daardoor leven”.

Een aanhaling uit Leviticus 18:5. Het enige probleem is dat hoewel de wet goed is, de mens dat niet is, en dus ook niet aan de wet kan voldoen. Dat hadden we al eerder gelezen in Rom.8:3 waar staat:
Wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was
Tot zover de gerechtigheid op grond van eigen werk.
Maar de gerechtigheid die op grond van geloof is spreekt een heel andere taal; Niet zelf doen, niet zelf naar de hemel opklimmen om de gezalfde op te halen, niet zelf afdalen naar de afgrond om Christus uit de doden op te wekken uit de dood, dat is immers onmogelijk. De verzen 6, 7 en 8 zijn een aanhaling uit Deuteronomium 30:11-14. Maar in dit verband is ook Spreuken 30:4 heel interessant:
Wie klom op ten hemel en daalde weer neder, wie heeft de wind in zijn vuist verzameld? Wie heeft de wateren saamgebonden in zijn kleed, wie heeft de einden der aarde vastgesteld? Hoe is zijn naam en hoe is de naam van zijn zoon? Gij weet het toch.
Ja wij weten daar het antwoord op, maar de Joden niet. Zij kennen niet alleen de naam van God niet meer, maar ook ontkennen zij dat Jezus de zoon van God is.

De gerechtigheid op grond van geloof zegt heel simpel vers 8-10:
Maar wat zegt zij? “Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart”. Dit is het woord van het geloof dat wij prediken: dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, u behouden zult worden. Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.
Dus de gerechtigheid waar de Joden naar op zoek waren was alleen door geloof. Want de schrift zegt: ”Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden”. Zoals ze al konden weten, want deze waarheid vinden we al in Jesaja 28:16: Hij die gelooft haast niet. Als je gelooft weet je dat uiteindelijk alles goed komt. Je hoeft niet te haasten om alles in orde te brengen. Nee wij haasten niet, het komt alles op Zijn tijd in orde; dat is geloven! Dit is al de tweede keer dat dit vers wordt aangehaald nl. in hoofdstuk 9 vers 33.

En de behoudenis is door belijden, zoals ook in Joël 2:32 staat
En het zal geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, behouden zal worden.
Dit gedeelte in Joël is heel opmerkelijk: het gaat hier over de eindtijd, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. Het zal een vreselijke tijd zijn, een tijd van bloed, vuur en rookzuilen, een tijd waarin de zon duisternis zal zijn en de maan bloed. Alle rampen en oorlogen, al het lijden van de tegenwoordige tijd is nog niets in vergelijking met wat er dan komt. En in die tijd zal er ontkoming, behoudenis, redding zijn. Vers 32:
En het zal geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jerusalem zal ontkoming zijn, zoals de Here gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Here zal roepen.

God roept, maar Hij roept niet alleen Israël. God maakt dat onderscheid niet als het gaat om behoudenis. Nee, allen die Hem aanroepen, zowel Jood als Griek. Ai, daar heb je Paulus weer met zijn uitbreiding van het heil. Nu kregen we net de indruk dat Christus gekomen was voor Gods volk Israël, je weet wel Sion en Jerusalem, en dan blijkt dat ook de volken hierin mogen delen; ieder die Hem aanroept zal niet beschaamd uitkomen. Het gaat echt om iedereen, maar dan wel ieder die de Here zal roepen.
Maar ja dan moet je dat wel weten. Israël kon het weten vanuit het oude testament, maar de volken niet. Daarvoor is prediking nodig. En dat is nou precies wat Paulus als taak heeft gekregen. Een mooie taak, vers 15:
Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die het goede verkondigen (letterlijk-van hen die evangeliseren)
Maar ja hoe mooi de boodschap ook is, niet iedereen gehoorzaamd.

Samenvattend vers 17:
Dus is het geloof uit de prediking, en de prediking door het woord van Christus.
Gaan we verder naar vers 18:
Maar ik zeg: Hebben zij niet gehoord? Zeker wel: ”Hun geluid is uitgegaan over de hele aarde en hun woorden tot de einden van het aardrijk.
Dit is een aanhaling uit psalm 19. Als we dit gedeelte hiernaast leggen dan ontdekken we dat het hier gaat over de prediking die in de schepping ligt. Ook de heidenen hadden God kunnen kennen uit de schepping, zoals we ook al hadden gelezen in Romeinen 2:20.

Zo nu had Israël toch wel weer een reden om zich op de borst te slaan. Ho, wacht eens even. Hoe zit het dan met Israël? Vers 19:
Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan?
Israël, die veel meer had dan het getuigenis in de schepping. Israël aan wie het woord was toevertrouwd, zij hadden de wet en de profeten, zij hadden het getuigenis van de vaderen. Ook zij geloofden het evangelie niet
In de volgende verzen laat God iets zien van het plan van God. Mozes wist het al. Deuteronomium 32:18vv Op het moment dat Israël God zal vergeten, God verwerpt, God jaloers maakt door wat geen god is. Dan zal God Israël jaloers maken. Vers 19 en deut. 32:21
Ik zal uw jaloersheid opwekken door wat geen volk is; door een onverstandig volk zal Ik uw toorn opwekken.

God wist al lang van tevoren dat dit zou gebeuren, ook Jesaja wist het, hij zegt vers 20:
Ik ben gevonden door hen die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden aan hen die naar mij niet vroegen.
De heidenen, die niet Gods volk zijn, als volken verdwaald zijn en geen kennis hebben, die zullen God vinden. Maar toch gaat Gods hart uit naar Israël. Vers 21
De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk
Het doel van God is Israël te winnen door de bekering van de heidenen.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende