U bevindt zich hier: Artikelen Machtelt de Haan

De wet en het vlees

Je kent dat wel, elk antwoord dat je vind in de Schrift roept een nieuwe vraag op. Zo ook hier Romeinen 7:7 :
Wat zullen we dan? Is de wet zonde?

We waren immers slaven van de wet? Nee, zegt Paulus, de wet is goed, ja zelfs heilig (vers 12). Door de wet heb ik trouwens de zonde leren kennen. Tot Mozes was er wel zonde in de wereld, maar het was voor de mensen heel moeilijk om te weten wat zonde was, want er was geen wet. Nu is er een wet en weten we dus wat zonde is. Een vervelende bijkomstigheid is dat we door de wet, door het gebod, geprikkeld worden om te zondigen. Probeer maar eens af te vallen. Als ik moet afvallen, mag ik niet snoepen, dus denk ik voortdurend aan snoep en lekker eten en vaak snoep ik dan veel meer dan wanneer ik mezelf dat gebod niet opleg. Dat geldt ook voor het stoppen met roken, dat is wel een goede zaak, maar erg moeilijk, want het lijkt wel of de sigaret dan centraal staat in je leven. Paulus zegt het in vers 8 zo:

Maar de zonde heeft door het gebod aanleiding gevonden en in mij elke begeerte; want zonder wet is de zonde dood.
En dan komt vers 9 :
Ik nu leefde vroeger zonder wet; maar toen het gebod kwam, leefde de zonde op, maar ik stierf.

Paulus beschrijft hier zijn eigen ervaring. Wanneer was Paulus zonder wet? Voor zijn bekering was hij onder de wet, hij was een slaaf van de wet, dus dat is niet de periode waar hij het hier over heeft. Na zijn bekering was hij vrijgemaakt van de wet precies. Precies zo als het voorgaande gedeelte laat zien, slaaf meer. Hij is vrijgemaakt van de wet. Maar dan komt het moment dat er weer geboden komen in zijn leven. Dat ken ik ook. Ik had de Here Jezus leren kennen en was volkomen vrij. Maar ja ik ging nadenken over wat er in mijn leven gebeurde; Ik was blij, dus was mijn conclusie – ik moet blij zijn. Ik werd niet meer boos op mensen en situaties, dus was mijn conclusie – ik moet verdraagzaam zijn. Tot overmaat van ramp kwamen er ook nog andere christenen, die de Heer al heel lang kenden, en die gaven me er nog een paar wetten bij.

Wat was het gevolg? Ik ging dat wat God in mij werkte zelf doen En dat kon ik niet en dus zondigde ik. En dat nieuwe leven, dat ik in Christus had ontvangen, stierf. Dat was tenminste mijn ervaring. Er was nergens meer aan te merken dat ik Christus toebehoorde. Vers 10:
En het gebod dat ten leve was, bleek mij ten dode te zijn.
Er is niets mis met blijdschap of verdraagzaamheid, maar de zonde heeft gebruik gemaakt van dat goede gebod. Ik ben gewoon bedrogen vers 11:
Want de zonde heeft door het gebod aanleiding gevonden en mij bedrogen en door het gebod gedood.

Oke vers 12,13 :
De wet is dus heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. Is dan het goede mij de dood geworden?

Een hele logische vraag, maar ook nu weer is het antwoord van Paulus: Volstrekt niet! Nee, het is nog steeds de zonde die de dood tot gevolg heeft. De zonde heeft gebruik gemaakt van het goede, de wet. Daarmee blijkt de zonde wel uitermate zondig te zijn.
Hoe komt dat nou toch dat wij niet in staat zijn om de wet, de wet van Israël of welke andere wet dan ook, te houden? In vers 14 geeft Paulus daar antwoord op:
Want wij weten dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

Dit is de kern van het probleem. Paulus is in dit hoofdstuk zelf aan het werk. Hij probeert de wet, die geestelijk is door zijn vlees te volbrengen. Het vlees kan dat niet. Het vlees is van een andere orde. Het vlees is verkocht onder de zonde. Daarom is de Here Jezus gekomen in een vlees aan het onze gelijk. Daarom kon hij ook in dat lichaam sterven en zo de dood overwinnen. Hij is opgestaan in een nieuw, geestelijk leven en dat leven is ook ons deel geworden. Maar wij hebben zolang we op deze aarde zijn ook nog ons vlees, ons lichaam. Daarom schreef Paulus in hoofdstuk 6:11
Rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.

Als je dat niet doet, dan probeer je door middel van je vlees de wet te vervullen of in ieder geval goed te doen voor God. Daarvan zegt Paulus in vers 21:
Ik vind dus deze wet voor mij die het goede wil doen: dat het kwade bij mij voor handen is.

Oh ja, ik vind die wet wel goed, ik verlustig me in die wet naar de innerlijke mens, maar ja in mijn leden, oftewel in mijn vlees gaat het mis. Ik weet het wel en ik wil het wel, maar ik kan het niet. Wat een uitzichtloos leven vers 24:
Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? Gode zij dank uit genade door Jezus Christus onze Heer!

Om één of andere reden hebben de vertalers het woordje genade uit deze zin weggelaten. Maar echt hier staat het woordje genade. God heeft ons uit genade behouden door Jezus Christus en hij wil ons ook behouden uit het lichaam van deze dood, wij zijn geen slaaf van de zonde meer door Jezus Christus. Uit genade kan ik het goede doen, maar dan ben ik dat niet meer, maar Christus in mij. Hij wil het willen en het werken in mij bewerken. (Fil.2:13) Is dat geen reden om God te danken!
Daarom trekt Paulus de conclusie in vers 26:
Dus ikzelf dien wel met het denken de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.

Door het geloof weten we dat we met Christus zijn gestorven en opgestaan, maar als we het vlees de leiding geven, oftewel als we het zelf proberen is er geen andere mogelijkheid dan te zondigen.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.
Startpagina // Volgende