U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

De Zoon & de Vader zijn één

Johannes 10: 29-33 Mijn Vader, die ze Mij (Jezus) gegeven heeft, is groter dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand van mijn Vader. Ik en de Vader zijn één. Toen namen de Joden opnieuw stenen op om Hem te stenigen, Jezus antwoordde hun: Ik heb jullie veel voortreffelijke werken getoond van Mijn Vader; De Joden antwoordden Hem: Om het goede werk stenigen wij U niet, maar om de godslastering, en omdat Jij, terwijl je een mens bent, Jezelf God maakt.

De Joden dachten Christus Jezus te horen beweren God te zijn. Dat was een behoorlijke godslastering voor hen. Daarvoor vonden zij dat ze wel het recht hadden om de Zoon van God te stenigen.
Leviticus 24:16 Wie de Naam van Yahweh gelasterd zal hebben, zal zeker gedood worden; de hele vergadering zal hem zeker stenigen.

De joden dachten dus een lastering van de Naam van Yahweh gehoord te hebben. Daar hoorde volgens het Woord van God inderdaad steniging op te volgen. Ze dachten gehoord te hebben dat Jezus zichzelf God maakte. Was dat ook zo?

De Heer Jezus had letterlijk beweerd dat aan Hem zijn volgelingen geschonken waren door God, de Vader. Het was dus niet de inspanning van de volgelingen waardoor ze volgelingen van de Heer werden, maar ook niet één of ander Godsingrijpen van Jezus Christus zelf waardoor Hij Zijn volgelingen verkregen heeft. Het is de schenking van God de Vader zelf, die Christus Jezus nu uit Zijn hand mocht ontvangen.

De Heer Jezus had letterlijk beweerd dat Vader God groter is dan allen. Hij had niet de clausule erin aangebracht dat God groter is dan allen behalve Hemzelf omdat Hij als Zoon nou eenmaal God zou zijn. Nee, Vader God is groter dan allen, dus ook dan Christus Jezus, de Zoon van God.
Johannes 14:28 Ik (Christus Jezus) ga naar de Vader (God); want Mijn Vader is meer dan Ik.

Maar dan komt het grote struikelblok voor de Joden en dus het grote bewijsstuk van de godheid van Jezus Christus voor de christelijke godsdienst. “Ik en de Vader zijn één!”. Dat vaagt toch alles wat Christus Jezus daarvoor gezegd mocht hebben in één klap weg? Ja, maar zo wordt nou eenmaal gelezen. We denken blijkbaar dat we heleboel uitspraken van de Heer naar een apart vakje van leugens mogen verwijzen zodra we een uitspraak lezen die onze leerstukken lijkt te bevestigen. Is deze uitspraak van de Heer inderdaad zo in tegenspraak met hetgeen de Heer er vlak voor uitgesproken heeft dat we door die eerdere uitspraken een stevige streep kunnen halen? Zouden we dan inderdaad moeten concluderen dat de Heer zo verschrikkelijk met zichzelf in tegenspraak is, waar ik maar geen verdere conclusies aan verbindt?

Johannes 10: 30 Ik en de Vader zijn één.
Uit de voorafgaande uitspraken bleek al dat Christus Jezus niet één in wezen met de Vader was/is. God de Vader is meer. God de Vader is Degene die alles schenkt en werkt. Dat is in ons leven, maar ook in het leven van de Zoon van God. Wat deze eenheid dan wel betekent ontdekken we door de teksten van hetzelfde onderwerp met elkaar te vergelijken.
Johannes 17:11 Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij.
Johannes 17:21 Opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader in Mij, en Ik in U; opdat ook zij in Ons één zijn,
Johannes 17:22 Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die U Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn;
Johannes 17:23 Ik in hen, en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld zal erkennen, dat U Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, zoals U Mij liefgehad hebt.

Tekst met tekst vergelijkend ontdek je waarschijnlijk wel dat het één zijn met God de Vader niet inhoudt dat jezelf daarmee God bent. Het hele hoofdstuk Johannes 17 is een uitleg hoe je die eenheid wel kan verstaan. De Heer Jezus vraagt in vers 11 Zijn God en Vader dat Hij de aardse volgelingen binnen het Koninkrijk in Zijn Naam bewaart. Daarmee is die eenheid ook het deel van die volgelingen. Die volgelingen zijn daarmee echter nog steeds niet een God.

In Johannes 17: 21 bidt de Heer Jezus Zijn God en Vader dat Zijn aardse volgelingen precies eender één zouden zijn, namelijk in de eenheid die God de Vader met de Zoon van God heeft. Als die eenheid voor de Zoon van God zou betekenen dat Hij daarmee God zelf zou zijn, dan zou dit precies eender voor die volgelingen gelden. Het is echter bij geen van beiden het geval.

God de Vader schenkt Zijn Zoon heerlijkheid (blijkt weer dat God meer is), maar ook aan Zijn volgelingen en de Vader maakt hen daarmee volmaakt volgens vers 22 & 23. De eenheid duidt dus op het geweldige werk dat God zowel in Zijn Zoon als ook in de aardse volgelingen van Zijn Zoon hier doet. Gods weg van genade is krachtig aan het werk in zowel Zijn Zoon als in de volgelingen van Zijn Zoon.

Nu nog eens even terugkerend naar onze begintekst:
Johannes 10: 29-33 Mijn Vader, die ze Mij (Jezus) gegeven heeft, is groter dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand van mijn Vader. Ik en de Vader zijn één. Toen namen de Joden opnieuw stenen op om Hem te stenigen, Jezus antwoordde hun: Ik heb jullie veel voortreffelijke werken getoond van Mijn Vader; De Joden antwoordden Hem: Om het goede werk stenigen wij U niet, maar om de godslastering, en omdat Jij, terwijl je een mens bent, Jezelf God maakt.

Waar de godsdienstige elite hier dus wezenlijk over viel was dat Jezus zich Zoon van God had genoemd, wie Hij ook daadwerkelijk is. Wat antwoordt de Heer dus?
Johannes 10: 34-36 Is er niet geschreven in jullie wet: Ik heb gezegd: jullie zijn goden? Als Hij hen goden genoemd heeft, tot wie het woord van God gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zeggen jullie dan tegen Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon?

Met beroep op Psalm 82: 6 tekent de Heer hier dat Hij feitelijk met een lagere titel rondloopt dan de gezagsdragers in het jodendom. Hij noemt zich niet god, maar hij noemt zich (volkomen terecht) de Zoon van God. Vreemd dat nou vrijwel niemand in de christenheid deze duidelijke uitspraak van de Heer serieus neemt.

Ter afsluiting van dit hoofdstuk over de eenheid van de Zoon en de Vader wil ik heel graag nog even kwijt dat ik hier niet over schrijf om andersdenkende gelovigen af te branden. Ik heb zelf deze duidelijke uitspraken van de Heer ook telkens opnieuw sterk bevochten. Een half jaar lang heb ik met, in mijn ogen, ketters hierover gecorrespondeerd. Naar mijn idee heb ik die langdurige discussie stevig gewonnen toen zij na een half jaar geen weerwoord meer hadden. Ik heb daarmee wel geleerd dat discussies over de Bijbel prima gewonnen kunnen worden terwijl je er helemaal naast zit. Zegt veel over discussies over de Bijbel.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende