U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Naam van de Vader, Zoon & Heilige Geest

Als je voorgaande studies in de serie “Wie is God?” hebt doorgelezen, dan ontdek je dat het op zich vanuit de Schrift enorm vanzelfsprekend is om de Zoon van God niet te zien als God de Zoon. Toch heb ik dat tientallen jaren als evangelisch christen verkondigd en verdedigd. Ik had geen antwoorden op al de overduidelijke uitspraken van de Schrift, die ik hiervoor heb laten spreken, maar het gekke feit deed zich voor dat ik al die teksten wel kon lezen, maar dat toch wat er nou eigenlijk zo klaar en helder stond niet tot me doordrong. Ik bleef er frictie mee houden. De reden daarvan waren uitspraken in de Schrift, die in mijn oren klonken als overtuigende verkondigers van het tegenovergestelde. Die uitspraken wil ik vanaf nu een tijdlang de revue laten passeren omdat ik vermoed dat ik niet de enige daarin ben.

Mattheüs 28:19 Maakt alle volken tot discipelen door hen te dopen tot in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest,
Voor mij was dit altijd een overduidelijk spreken van de Heer zelf over de ene naam, die bestaat uit de Vader, Zoon en Heilige Geest. Een eenheid dus, die bestond uit drie personen. Dat kan je dan dus de drie-eenheid noemen, wat de christenheid dan ook doet. Daar deed ik niet aan mee omdat ik die uitdrukking nergens in de Schrift tegenkwam, maar de gedachte op zich, n.a.v. deze uitspraak van de Heer zelf, leefde voluit in mij.

Alvast een prikkelend voorbeeld mijnerzijds:
Ik zit me zo in te denken dat de verkiezingen geweest zijn en de verkenner een tijdlang heeft gebruikt om her en der te snuffelen, de formatiebesprekingen na maanden gesteggel ook nog eens iets heeft opgeleverd en dan verschijnt de kersverse nieuwe Minister President Mark Rutte voor de camera´s om het land toe te spreken. Hij begint:
“Uit naam van de koning, de gloednieuwe coalitie en het volk mag ik u allen vandaag het heugelijk feit mededelen dat ik opnieuw de touwtjes van jullie allemaal met dit prachtig samenspel van partijen in handen heb.”

Even voor alle duidelijkheid: Dit is fictie! Ook draait het mij met dit voorbeeld niet om de nieuwe premier van het land, ook al denk hijzelf natuurlijk van wel. Het draait momenteel enkel en alleen om die hele vreemde uitdrukking: “Uit naam van de koning, de gloednieuwe coalitie en het volk.” Het woordje “Naam” is enkelvoud. Is daarmee de conclusie gerechtvaardigd dat de koning, de gloednieuwe coalitie en het volk één en dezelfde is? Dus, zou Willem Alexander ons zijn, oftewel het volk? Of anders gezegd: Vormt het vreemde samenspel van politieke partijen met sterk uiteenlopende overtuigingen en plannen, die men de gloednieuwe coalitie noemt, nu dan toch onze koning of zijn ze toevallig gewoon maar het volk?

Nee, Premier Mark Rutte spreekt in deze pure fantasie in de naam van de koning (dat is één) en van de gloednieuwe coalitie (dat is twee) en van het volk (dat is drie). We hebben drie totaal verschillende grootheden, die in dit voorbeeld echter wel samenwerken, maar absoluut niet hetzelfde zijn en dus ook niet uitwisselbaar zijn. Gaan we dus helemaal uit van de tekst in Mattheus 28: 19, zoals die hierboven staat, dan zou dat nog altijd een vreemde draai zijn als we daar een soort drie-eenheid in zouden zien. Maar nu……..!!!!

Nu gewoon de vraag: “Wat zegt de Schrift?”.
Het is heel opvallend dat de oudste handschriften van de Bijbel niet dateren van voor de vierde eeuw. De Alexandrinus, Sinaiticus en de Vaticanus stammen allemaal uit die tijd. Wat voor tijd was dat? Dat was de tijd van het concilie van Nicea, dat plaatsvond in 325 na Christus. De tijd van wat je wel de tijd van de samenstelling van de officiële kerkleer zou kunnen noemen.

Valt er dan helemaal niks terug te vinden van wat Paulus en de zijnen concreet als de Schriften hebben samengesteld? Jawel! Er zijn uit veel vroegere tijd geschriften waarin de Schrift geciteerd wordt. Voor ons is van belang dat ook dit vers Mattheus 28: 19 regelmatig langskomt in die oudere geschriften. Eusebius van Caesarea, die leefde van 260 tot 340 na Christus heeft bijvoorbeeld de volgende weergave van deze tekst:
Mattheus 28: 19 Maakt alle volken tot discipelen in Mijn naam en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.

Begrijp me goed. Ik citeer niet een mening of leerstellige opvatting van deze Eusebius. Het kleine beetje wat ik daarvan gezien heb lopen onze visies nogal eens uiteen. Het gaat mij om de opvallend andere weergave van de tekst, die hij simpelweg citeert uit de Schrift, een Schrift die dus ouder is dan de ons bekende handschriften en dus dichter bij het origineel staat.
Mattheus 28: 19 Maakt alle volken tot discipelen in Mijn naam en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.

De opdracht hier is dus om als joodse gelovigen naar de heidenvolkeren te gaan en al die volkeren d.m.v. onderwijs tot volgelingen van de Heer te maken. De uitvoering daarvan gebeurt dan in Christus Jezus naam, oftewel het hele gezag van de Heer lag in de uitvoering van die taak. Het onderwerp van dit onderwijs volgt dan ook logischerwijs, namelijk dat ze die heidenvolkeren leren om alles wat de Heer bevolen had ook te onderhouden. Dit is de kenmerkende profetische taak van Israël onder het nieuwe verbond.

Wat ontbreekt er echter in dit citaat van Mattheus 28: 19? Je leest niks over een doop en er is ook geen enkele zwijm van spreken over een soort van drie-eenheid. Maar stel nou dat ik er helemaal naast zit. Dat kan heel goed hoor! Ik heb er al zo vaak naast gezeten. Dus, wat nou als die opdracht van de Heer inderdaad een soort missie inhoudt om alle heidenvolkeren te dopen in één of andere drie-enige naam? Waarom is er dan ook echt niet eentje van de apostelen van de Heer een beetje gehoorzaam geweest op dit gebied? Geen sprankje Bijbels bewijs dat hier ook maar ooit iets van verwerkelijkt is of zal worden. Ook de profeten spreken niet over een toekomstige vervulling van wat hier staat. Niets! De uitspraak in dit vers wordt totaal genegeerd in de uitvoering in Handelingen, maar ook in de leerstellige brieven, waar de inhoud van het dopen verder uitgelegd wordt. Deze toegevoegde woorden in de tekst hebben dus een hoog fraudegehalte.

Profetisch is feitelijk nog nooit voldaan aan de opdracht om alle volkeren tot discipelen van de Heer te maken. Dat gaat wel degelijk in de profetische toekomst plaatsvinden, maar er was wel al een soort voorloper.
1 Corinthiërs 15:8 Het allerlaatst van allen is Hij (de opgestane Heer) ook aan mij (Paulus), als aan een te vroeg geborene, verschenen.

Paulus geeft hier dus aan dat hij de allerlaatste was, die de gave van apostel werd doordat hij de Heer gezien had. In zijn dienst was hij echter een te vroeg geborene. Een soort couveusekindje. Hoezo was hij een couveusekindje? Profetisch zou de tijd nog even wachten dat Israël haar dienst aan de heidenen zou beginnen, maar Paulus zou persoonlijk die taak wel al vervullen. In zekere zin: Te vroeg geboren.
Mattheus 28: 19 Maakt alle volken tot discipelen in Mijn naam en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.

Die taak van Israël naar de heidenvolkeren toe is tot nu toe uitsluitend door Paulus vervuld. Alle volkeren zijn onder zijn bediening nog niet allemaal discipelen geworden. Dat ligt nog in het verschiet. Paulus is er wel op uit gegaan als apostel van de heidenen.
2 Timotheüs 1:11 Ik ben aangesteld tot prediker, apostel en leraar van de heidenvolken.

Maar hoe zat het dan met die doopopdracht. Die hoorde volgens onze frauduleuze weergave toch bij deze opdracht?
1 Corinthiërs 1:17 Christus heeft mij (Paulus) niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen;
Maar Christus heeft hier toch zeker juist aan die opdracht om naar de heidenen te gaan de doop als iets onlosmakelijks verbonden? Ja, wel als we de door de kerk aangepaste tekst (de frauduleuze toevoegingen) moeten geloven. Maar de Heer heeft die verbinding nooit gelegd.
Mattheus 28: 19 Maakt alle volken tot discipelen in Mijn naam en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende