U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 5

Onzichtbaar lijkt hij de altijd openvallende ruimte op te vullen. Meestal is hij er niet, ook waar hij wel aanwezig is. Hij schuift in het gat, dat anderen laten vallen. Hij is niet anders gewend. De meest vanzelfsprekende zaak van de wereld. Het draait namelijk niet om hem. Het draait nooit om hem. Er is altijd een ander, die centraal hoort te staan. Nooit hij. Nooit Owen.

Carin heeft, toen ze nog maar 8 maanden was, een koffer op haar hoofdje gekregen. Doktoren hadden moeten ingrijpen, maar het is verwaarloosd. Het werd een hersenvliesontsteking. Ze zal nooit mentaal de anderhalf jaar overgroeien. Ze is zo lief, maar kan niks. Alle zorg hoort zij te krijgen. Alle moederliefde hoort naar haar te gaan. Buiten lopend hoort zij de volle aandacht te krijgen. Owen veroordeelt zichzelf om zijn jaloezie. Hij, de gezonde. Hij, die leren kan. Hij, die nu een opleiding volgt. Hij, die straks voluit een taak zal vervullen in de maatschappij. Afgunstig draait zijn blik toch weer naar haar. De ouderlijke geborgenheid is er helemaal voor haar?! Hij hoeft zelf toch zeker niet zo nodig in het middelpunt te staan?

Onzichtbaar sluipt hij naar zijn kamer. Op zijn bed, in een hoekje, pakt hij zijn transistor. Veronica troost. Luxemburg bouwt op als de mond van Maasbach. Ja, Jezus is dus blijkbaar speciaal voor zijn zus gekomen. Zij gaat genezen. Zij staat centraal. Zij wordt Zijn dienstknecht. Owen reduceert zich tot een klein propje in zijn hoekje. De muziek maar weer wat harder.

Hoofdeind van het bed. Rug tegen de muur. Oordopjes in. Veronica hard. Zelfs de kamer bestond niet meer. Alleen zijn hoekje. Vader was er niet. Was die er wel, dan was er nogal eens trammelant. De wetenschap dat alles over God en genezing één grote oplichterij was en zijn dochter dus nooit herstellen zou had Pa doen veranderen. Moeder was blij als het op het werk beroerd ging, dan was de relatie thuis nog het best te harden. Een soort evenwicht dat de ene keer naar het werk en de andere keer naar de thuissituatie kon doorslaan. Owen zorgde er dus wel voor Pa niet voor de voeten te lopen.

Voor ma was er maar één persoon in haar leven. Nee, dat was niet vader. Ook al nam God een belangrijke plaats in haar leven in, God was ook niet de centrale figuur. Ook al hield moeder van Owen, hij wist maar al te goed dat ook hij zeker niet die enige persoon voor haar was. Nee, alles draaide om Carin. Hoe moeder met Carin omging wekte bij Owen niet zozeer afgunst op. Carin was moeders Barbie. Ze kon alles met haar. Moeders zorg ging het voorstellingsvermogen van Owen ver te boven. Owen vond het dan ook eigenlijk vanzelfsprekend dat er voor hemzelf nauwelijks nog wat overbleef.

Helemaal weggedroomd. De maatschappij was er al niet. Het gezin was vervaagd. Vader en moeder vervlogen tot onbekende identiteiten. Carin een vergeten gegeven. Owen is de held in zijn eigen glorieus rijk. Hier heeft hij goede, levendige contacten, leuke vrienden, die zijn belangstelling en denkbeelden delen, geen angst voor situaties, een zus, die meediscussieert, een meisje om helemaal verliefd op te zijn en hij weet altijd de juiste toon te treffen. Zo zou het altijd………

Luxemburg geeft weer het adres van een bijeenkomst in Krasnapolsky door. Vanavond komt er een genezingsdienst. De ballon knalt. Droom aan duigen. Utopia naar de knoppen. Geen rug meer tegen de muur. Owen glijdt van zijn bed. Hij staat weer met beide benen in zijn kamer. In de andere kamer hoort hij het gesprek van pa en ma, overstemd door het “Tsjoe, tsjoeh, tschjoehhhh!” van Carin.

Owen werd bang. “Zo´n bijeenkomst komen natuurlijk meer mensen op af. Stel dat het vol zit! Kan ik stiekem aanschuiven? Zal ik niet opvallen? Wat moet ik met die mensen, die ik helemaal niet ken? Denk je eens in, straks begint er iemand iets tegen me te zeggen!”
Helemaal over zijn toeren kijkt Owen naar buiten. “Gelukkig, het onweert! Ik kan niet.”

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende