U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 4

Er is wat veranderd. Van meest voorbeeldige leerling van de klas leek Owen veranderd te zijn tot de grootste rebel. Vaak was het plaatje onterecht en zocht Owen zelf ook weer vergeefs naar wegen om de rust op school terug te krijgen. Hij was en bleef oorzaak van ongeregeldheden. Enorme turbulentie was nou niet iets wat Owen voor ogen had, maar het was wel leuk om te constateren dat binnen een paar weken tijd zijn grootste vijanden nu ineens om zijn gunst leken te vechten. Maar er was nog altijd niks gemeenschappelijks. Ze dachten alleen hun leider in chaos gevonden te hebben.

Maatschappijleer was altijd overzichtelijk, ordelijk en structureel. Hoe meer er echter over onenigheden tussen landen gesproken werd, hoe vaker de hand van Owen omhoog ging. Voor de leerkracht een beproeving, voor de leerlingen stevig aanleiding om eindelijk eens op te gaan letten, elke mogelijke afleiding weg te leggen, recht te gaan zitten en de eerste rottigheid in de richting van de meester af te wachten. Was het antwoord voor Owen onbevredigend, dan werd in keurige bewoordingen de tweede lus om de nek van de leerkracht geworpen. Meestal was dan alleen nog maar een kort rukje nodig om het onjuiste van het antwoord aan te tonen. Dat laatste rukje kwam er echter meestal niet van. De andere leerlingen besprongen maar wat graag vraagsgewijs de leerkracht, die weer een uurtje hel op aarde op zijn carrière kon bijschrijven.

Geschiedenis was ook al aan corrosie onderhevig. Het was altijd een keurig opdreunen van jaartallen, landen en gebeurtenissen. Welk nut je naast een eventuele quiz nog aan die veelheid van kennis kon hebben bleef al die jaren schimmig. Het zou wel ergens dienen voor een toekomstig vak.
Maar nu zat er zo´n lamstraal van een Owen op school, die maar wat graag een les uit de geschiedenis trekt. Ook daar kwam dus weer dat schuchtere vingertje met de niet uit te blijven chaos van medeleerlingen eroverheen. Met de uitspraak “Geschiedenis leert ons dat we niks van geschiedenis leren” kon Owen als enorm stuk eigenwijs zijn plek in het klaslokaal tijdelijk opgeven.

Bijbelse kennis was een must op het gereformeerde schooltje van Owen. Owen bakte er nooit wat van. Thuis werd er eigenlijk nooit over gesproken, laat staan gelezen. Hier moest hij ineens hele stambomen en koningslijnen van zowel Israël als Juda in zijn hoofd stampen. Geen schijn van kans dat die er ooit in kwamen, laat staan in bleven zitten. Maar toen de tien geboden en met name de kreet “Gij zult niet doden” voorbij kwamen, toen ging daar dat vingertje weer de lucht in. “Wij hebben als christelijk land een leger en vechten graag mee in allerlei oorlogen. We hebben dus geen enkel probleem met moorden. God blijkbaar wel. Zijn we eigenlijk wel christelijk?” Het startschot van een heftige oorlog tussen leraar en leerlingen, die niet in één les tot vrede leidde.

Iedereen onder de leerlingen vocht om de gunst van Owen. Die kon een vuurtje opstoken tot alles in lichterlaaie stond. De hele klas vond dat prachtig. Owen had er buikpijn van. Hij zocht oprecht naar antwoorden, die niet kwamen omdat elke vraag verzandde in tumult. Eigenlijk wilde hij dat iedereen iets zou proeven van de waanzin van ruzie of oorlog of haat of wraak. Hij merkte echter naarmate hij dat meer en meer bespreekbaar maakte, de onderlinge wrevel, ruzie, ja zelfs haat zo´n simpele vraag in hun macht overnamen en hijzelf machteloos een niet zo bedoelde schoolbrand zat te bekijken.

Het fenomeen “Populaire Jongen Zijn” was pril. Het onder een kluwen jongeren liggen, die hem zijn broek probeerden uit te trekken, stond nog scherp op zijn netvlies gebrand. Owen was al helemaal gewend geen enkele vriend te hebben. Hij wist zich prima te vermaken in zijn eentje. Nu moest hij opeens vrienden hebben. Maar hij zag nergens één of andere link met deze gasten. Wat hij als antwoord zo verwoed zoekt rammen zij met liefde de grond weer in. Wat moet hij met deze jongeren?

Owen werd vrienden met enkele van zijn medeleerlingen. Er waren er enkele, die een maatschappelijke stelling innamen, een tweeling bekend als de Vissers en dan nog een jongen, die bij relletjes nogal eens in elkaar geslagen was. “Wie weet”, dacht Owen, “misschien kunnen we onze denkbeelden op elkaar afstemmen”. Het bleek anders uit te pakken. Voor hij het wist zetten ze zonder enige aanleiding in een buurtsuper de boel op stelten. Stellingen omver trekken en dan rennen, zo hard mogelijk. Achteraf probeerde Owen de achterliggende gedachte te ontdekken. Hij kreeg er niet meer uit dan dat dit toch erg leuk is.

Voor het eerst kwam het bij Owen op: “Ben ik nou gek? Ik zoek naar redenen voor alles en niemand die dat echt belangrijk vindt. Het grootste deel handelt netjes omdat het grootste deel dat ook al doet. Vraag niet waarom. Zo´n vraag is belachelijk. Het grootste deel doet toch al zo? Dus wij ook! Bij dat netjes doen kan ook makkelijk moorden horen, als het grootste deel dat ook maar al doet. Het andere deel is tegendraads omdat de rest van het andere deel dat ook al doet. Vraag niet waarom? Zo´n vraag is belachelijk. Het andere deel doet toch al zo? Dus wij ook! Bestaat eigenlijk die liefde, die ik zoek, wel?”

Het lijkt te tollen in het hoofd van Owen. Zoals hij onbewust al gewend is loopt hij naar huis, stiefelt door naar zijn eigen kamer, deur dicht en denkt. “Wat zijn vrienden? Wat is liefde?”

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende