U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 25

Op een zondag zat Owen weer in de kerk. De begeerte had toegeslagen. Hij had al de Bijbelse voorspellingen doorgenomen. Dorst naar meer had hem overmeesterd. De chronologische lijn was uitgezet. Gretig had hij de grachten afgelopen op weg naar de dienst. Hij had zich vergaapt aan de duizenden jaren tijdspannes tussen voorzegging en vervulling. Overweldigd door geestelijke honger was hij de hal van het gebouw binnen gestapt. Alles was punt voor punt uitgekomen zoals voorspeld. Intens verlangend naar meer wachtte hij op de nieuwe uitleg die hij deze ochtend zou ontvangen. Hij bekeek de Bijbel in zijn hand. Ja, hij wist, dit moet wel van God zelf komen! Dit Woord is de waarheid!

Owen wachtte een levensveranderende verrassing. De verpakking van de dienst verliep als verwacht. Toen broeder Malgo echter begon was het niet die aanvullende uitleg over de maatschappelijke ontwikkelingen in het licht van Gods Woord, waar Owen zich op voorbereid had. Een boodschap, die hij nog niet eerder gehoord had, ontvouwde zich. Vanuit Genesis werd hem voor ogen geschilderd hoe God de mens geschapen had vanuit Zijn grote verlangen een echte relatie op te bouwen. “Wow”, dacht Owen, “die grote God, die alles van tevoren weet en die echt waarheid spreekt, die heeft mij dus gemaakt! Te gek! En dan heeft die dat ook nog eens gedaan omdat Hij Zijn liefde met mij wilt delen? Dat kan ik helemaal niet bevatten!”

De euforie bij Owen liep behoorlijke schade op toen hij te horen kreeg hoe het eerste mensenpaar die relatie geschaad had door van een boom te eten, waar ze vanaf hadden moeten blijven. “Stom!”, dacht Owen, maar de voorbeelden, dat wij niet veel anders zouden hebben gehandeld herkende hij wel. Hij dacht terug aan zijn verlangen liefde en vrede te verbreiden waarbij hij uiteindelijk bittere haat in zijn eigen hart vond. Dat was zijn nemen van de boom. Ja, dat herkende hij wel.

Zo is de zonde en de dood de wereld binnen gekomen!”, verkondigde Malgo, “en dat is tot op ons doorgegaan!”. Nu zat Owen echt stevig heen en weer te schuiven op zijn kerkbank. “Dus ik moet zomaar geloven dat ik dat van die Adam geërfd heb?” Malgo citeerde het ene na het andere vers uit de brief van Paulus aan Rome. Zo snel als hij kon zat hij het op te zoeken en mee te lezen. “Tja”, dacht hij, “die profetieën waren waar. Dit is hetzelfde Woord. Dit is dus wel de waarheid van God!”.

“De relatie met God is kapot en dat krijgen we zelf niet meer heel!”,
ging Malgo verder. Hij haalde een tekst aan uit Jesaja, die Owen niet zo snel voor zijn neus gebladerd kreeg. Het viel hem wel op hoe gek die tekst klonk. Zoiets als dat je goede daden zo bij het grof vuil kunnen. Owen voelde zijn emoties in beroering komen totdat hij aan zijn eigen goede daad dacht van het mee marcheren tegen de oorlog en voor de vrede, terwijl hij haat in zijn hart had. “Okay!” foeterde hij in zichzelf, “maar ik heb het wel geprobeerd!” Met tranen in de ogen zat hij in die grote kerkbank zielig te zijn.

Vanuit de offerdienst in Israël, waarbij Malgo allerlei teksten uit met name Leviticus aanhaalde, kwam hij uiteindelijk bij het offer van Jezus terecht. Meerdere keren bij die teksten uit het Oude Testament had Owen de neiging om af te haken. Hij kon het helemaal niet meer bijbenen en snapte ook de helft niet. Maar één ding was wel weer over gekomen. Jezus had op de één of andere manier die relatie met God voor ons weer hersteld. Die dood, die tegenwoordig in de wereld heerst heeft Hij overwonnen door nou juist uit die dood op te staan. Plaatsen kon Owen het in de verste verte nog niet, maar dit kwam op hem over als puur feest. Er was weer iets goed gemaakt.

Ineens zette een koor in. Er werd een dramatisch lied gezongen. Owen had gewoon de uitleg helemaal willen horen en hij verbeet zich over het zo abrupt onderbreken ervan. Het koor werd weer stil, het orgel bleef alleen over, maar zachter. Daar doorheen vroeg Malgo wie zijn leven nu aan de Heer wilde geven. Niemand reageerde. Owen kreeg het op zijn zenuwen. “Er is hier iemand, die nu een keuze voor de Heer wil maken”, zei Malgo zacht. De intercity leek met donderend geweld zich in het hoofd van Owen een weg te banen. “Je kan nu komen zoals je bent”. Turbomotoren snerpten Owen door zijn hersenen. “Ik vraag nog één keertje om te gaan staan als je wilt dat er voor je gebeden wordt. Ik weet dat er eentje is”.

“Okay”,
dacht Owen, “al die profetieën bleken de waarheid van God te zijn. Gods Woord is waar. Ik begrijp nog niet de helft over die Jezus, maar als die Bijbel dat over hem leert moet dat dus ook waar zijn”. Owen stak zijn hand op. Malgo begon te bidden. De snerpende turbomotoren vielen stil. De denderende trein kwam tot stilstand. Er was rust. Owen had geen idee wat er gebeurt was, maar er was rust.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina