U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 21

Zondagochtend. Er was nog weinig leven op de gracht. Op het koeren van een enkele duif na was het behoorlijk stil. In gedachten liep de lange slungel richting Amstel. Het lood zat behoorlijk in zijn schoenen en het peentjes zweten sloeg om in bloed, zweet en tranen naarmate hij dichter zijn doel naderde. Hij keek nog eens naar de advertentie. De keizersgrachtkerk moest hij hebben. Daar werden de messen geslepen voor het politiek debat.

Owen had de afgelopen weken regelmatig de advertentie opnieuw doorgenomen alsof hij verwachtte nog nieuwe, niet eerder aangetroffen, aspecten te ontdekken. Concreet was het totaal overbodig om nog vaker de aankondiging door te nemen. Hij kende het woordelijk uit zijn hoofd. Toch kwam telkens die dwingende aandrang om weer dat blad open te slaan en te kijken: “Keizersgracht! In de brand! Turbulente tijden! Al die volkeren!”

De Magere Brug over. “rechtsaf?” Hij liep rechtdoor de Kerkstraat in. Volkomen desoriëntatie maakte zich van hem meester. Het leek alsof hij totaal niet meer wist waar hij liep. Hij kende Amsterdam op zijn duimpje. Moest geen enkel probleem zijn. Halverwege tussen Amstel en Utrechtsestraat stond hij stil. Greep naar zijn hoofd. “Stil!!!”, schreeuwde hij uit, “Stil!!!!”.

Owen greep zich vast aan een auto. Duizelingen leken hem het zicht te benemen. Zijn handen voelden zo gek aan. Ze tintelden als een tierelier. Het hart klopte hem in de keel. “Ik moet….. Ik moet zo snel mogelijk naar huis! Naar huis!! Hier weg!!!”. Hij voelde een golf aankomen. O, wat was hij misselijk! Hij hield het niet meer en moest kotsen. Zijn rode kop trok nu weer langzaam bij. Hij was opgelucht, maar schaamde zich rot. Met de zakdoek uit zijn linker broekzak veegde hij de restjes spuug uit zijn gezicht. Daarna depte hij met de zakdoek uit zijn rechter broekzak het zweet weg.

Owen keek om zich heen. Niemand te zien. Hij wist weer precies waar hij was en waar hij naartoe wilde. Een kwartier later zat hij in de kerk. Hij was zo onopvallend mogelijk aan de zijkant achterin gaan zitten. Iedereen leek hem echter op te merken en kwam even langs om hem te begroeten. Ze gaven hem een zangbundel, waar hij in wilde bladeren. Niemandaf hem daar echter de kans niet toe. De dienst begon.

Opnieuw voelde Owen de beklemming van het vreemde onbekende. Een rare cultuur. Waarom deden ze niet gewoon waarvoor ze hem uitgenodigd hadden? Dit leek niet op een politieke bijeenkomst. Liedjes zingen, die in de verte iets weghadden van smartlappen, maar dan met een tekst, waar hij niks van begreep. Het hele circus, wat hij ook in andere kerken al had meegemaakt, werd nu weer afgedraaid. Zijn vooroordeel speelde alweer pittig op: “Show! Allemaal nepperij! Als God dit toch nodig heeft voor Zijn PR, dan stelt het dus blijkbaar ook niks voor!” Owen zat alweer op een kansje te wachten om er tussenuit te piepen. Toen begon de spreker.

In een overduidelijk Duits accent bedankte hij zijn broer Joop voor de uitnodiging om hier de geweldige Maranatha-boodschap te mogen brengen. Het eerste onbekende woord was genoteerd: ´Maranatha?´. Owen keek om zich heen of anderen hier ook moeite mee hadden. Nee hoor. Niks. Men bleef de spreker gewoon geïnteresseerd aankijken. “Voor hen dus een heel normaal woord”, constateerde hij. “Eigen taalgebruik?”.

Wim Malgo, die deze ochtend zou spreken, hield een heel betoog over de Arabische volkeren, die als rondzwervende herdersstammen net als de Joden ook van Semitische afkomst zijn. Volkeren als de Medanieten en de Midianieten kwamen langs. De bron van de hedendaagse Jodenhaat werd vanuit de Bijbel achterhaald, die niet antisemitisch zou zijn, maar veel dieper ging.

Owen luisterde geboeid, maar kon er geen touw aan vastknopen. Helemaal niks kon hij met al die verwijzingen naar de Bijbel. Hij had daar ook totaal niet op gerekend. Hij nam nooit ergens een Bijbel mee naartoe. Had hij het wel gedaan, dan had hij de verwijzingen ook beslist niet terug kunnen vinden. Zijn belangstelling was echter enorm getriggerd. Nog oplettender werd hij toen die Wim aangaf hoe hij via de Egyptische radiozender ´Radio Cairo´ de laatste actualiteiten doorkreeg. “Kijk”, dacht hij, “dit is er wel eentje die de boel onderzoekt”. Aan het eind van zijn spreekbeurt verwees Malgo naar de spoedig komende wederkomst van Christus en dat we daar klaar voor moeten zijn. Owen had geen idee wat dat ermee te maken had, maar het fascineerde hem wel.

Het laatste stukje gektecultuur nam Owen op de koop toe. In de middag zou de broer van die Duitser het stokje overnemen, maar nu liep iedereen naar buiten om even een boterhammetje weg te bikken. Dat dacht Owen, maar er werd helemaal nog niks gegeten. Iedereen stond met de Bijbel in de hand door te praten over wat ze gehoord hadden. Er werd dit aangehaald. Er werd dat aangehaald. Een argument kwam langs, waar een ander weer iets anders tegenover stelde. Overdonderd stond Owen dit alles aan te kijken. Hij begreep geen hout van wat zich hier afspeelde. “Maar”, dacht hij, “dit is echt!”

Owen had niks afgesproken thuis. Hij had ook niks meegenomen om te eten. Hij bleef dus niet voor de middagsamenkomst. Hij had wel gezien dat elke zondag er zoiets dergelijks zou zijn. Met zichzelf sprak hij af om dan ook weer van de partij te zijn, maar dan met een Bijbeltje, een bloknoot en een pen. Hij wilde alles noteren en thuis uitzoeken. Hier moest en zou hij meer van weten.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende