U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 19

Samen met Tante verlekkerd door Jamin lopen. “Daar wat van! Daar ook wat van! Oh, dat is ook lekker! Dat ook maar!”
Zo´n lange treinreis is altijd goed voor helemaal wegdromen in het verleden. Owen proefde nog door en door de smaak van die Haagse Hopjes, zoals hij die voor de allereerste keer ondervond toen hij ze samen met zijn favoriete Tante gekocht had.

Zolang als Owen tante Eeuwke kende had ze altijd moeiten. Als klein kind kon hij het nooit echt goed plaatsen, maar later kon hij gelijk zien dat het goed mis was. Haar kromme rug. Haar handen, voeten en ook het gezicht. Sommige symptomen herkende hij uiteindelijk wel, maar er werd nooit over gesproken in de familie. Over ziekte hing altijd een waas van geheimzinnigheid en Owen kreeg dat niet naar het oppervlak. Nou had Owen zelf al moeite zaken te benoemen. Praten was voor hem tweederangs communicatie. Wilde hij emoties overbrengen, dan wist hij altijd wel een popnummer op te hoesten. In hoesten was tante Eeuwke trouwens ook een kei.

Vakantie betekende Groningen. Jaar in, jaar uit, Groningen. Overnachten altijd bij Oma, de tantes Lummechien en Eeuwke. Altijd met donker worden naar bed, anders kostte het stroom en dan telkens weer vroeg op pad naar Stadspark. Daar dook Pa de boom in en mocht Owen hem de hele dag zoeken. Heerlijke ontspanning voor Owen, die vanzelfsprekendheid.

Dit jaar was anders dan andere jaren. Eigenlijk voelde iedereen dat wel aan, maar niemand sprak. Niemand behalve tante Eeuwke. Het enige wat ze nog deed was liggen in haar bed, maar daar wilde Owen bij zijn. Hij had iets met tante Hopjes. Voor zover hij vriendschap ook maar enigszins kon bevatten stond zij voor hem daar het dichtste bij. Hij had nooit een vriend, maar zo moest het volgens hem voelen.

Hij had een transistorradio en zij wilde Luxenburg horen. “Die dus!”, dacht hij huiverend. Met weerzin zocht hij de zender op, zette hem zo scherp mogelijk zodat je geen storing van andere zenders zou krijgen. Het begon met de Nederlandstalige uitzending van Johan Maasbach wereldzending en daarna zouden de Engelstalige uitzendingen van o.a. Billy Graham volgen. Owen had daar zelf de laatste tijd totaal geen animo meer voor. Hij had God eventjes in de pauzestand gezet.

De bekende Maasbach-stem schalde door het kleine slaapkamertje. Wat had die stem voor Owen vaak model gestaan. Alle imitaties had hij er al op uitgeprobeerd en het had zijn eigen presentatie duidelijk beïnvloed. Maar nu draaide het om de boodschap. Tante Eeuwke zocht troost. “Leg je hand op de radio terwijl ik de microfoon aanraak!”. Owen had de neiging het apparaat onder de naderende hand van Tante weg te schoppen. Een overstelpend innerlijk gekrakeel deed zijn hersenpan welhaast in duizend stukjes uiteen knallen. “Je reinste verlakkerij!” stormde het in zijn hoofd. In alle rust lag tante daar, stralend opkijkend naar hem.

Programma van de Wereldzending was ten einde en Tante vond het welletjes. “Dank je! Dat was mooi!” Schichtig keek Owen van haar weg. “Ik begrijp het niet!”, zei hij, “die man kletst over gezondheid als de zegen van God, maar u bent aan het dood gaan!” Ze begon over het geweldige van het leven met de Heer. Owen vatte het niet. Hij wilde het ook niet doorhebben. Voor hem was het niet meer dan een luchtkasteel, een utopie. Ze bleef maar praten over Gods overweldigende liefde en genade.

Ineens zag Owen iets van die man uit die film in zijn tante. Een herinnering die hij de laatste tijd geblokkeerd had. Zoals die man maar over liefde bleef spreken, ook toen hij al bijna in elkaar geslagen was en daar halfdood lag. Tante zag alleen maar liefde en goedheid in God terwijl ze onder ondraaglijke pijnen aan het sterven was. “Dit bestaat toch niet?!” Owen wilde naar een muur toe rennen om zijn hoofd er weer tegenaan te beuken, maar hij dacht aan tante. Dat weerhield hem.

Hij had van zijn moeder wel eens gehoord hoe zij in de boot van het Leger gelovig was geworden. Ze werd achterna gezeten door een politieagent omdat ze ergens bloemetjes geplukt had. Toen was ze de boot van het Leger in gevlucht en daar hoorde ze over God. Ze wilde voortaan goed zijn en dus is ze gaan geloven. Daarna heeft ze altijd geprobeerd goed te zijn. “Nou”, dacht Owen, “waarom zou je dan ook nog in een sprookje moeten geloven?”. Hij had er eigenlijk nooit echt iets van begrepen. “Balen hoor, nooit meer bloemetjes plukken”.

Deze tante vertelde Owen nu dat zij op dat moment de Heer nog niet kende. “De Heer nog niet kennen?” Owen had geen flauw idee waar Tante Eeuwke nu weer over begon. “Weet je wat er toen wel gebeurde?, vertelde ze, “Ik heb mijn zus, je moeder dus, een keertje betrapt toen ze voor mij aan het bidden was. Wat een liefde! Dat had ik nog nooit zo bij mijn zus gevoeld! En het was zo echt! Toen ben ik een keer meegegaan naar die boot. Daar werd ik overtuigd van mijn zonden en ik heb me aan Jezus overgegeven. Wat een vrede! Wat een rust!”

Met open mond had Owen zitten luisteren. Dat van zijn moeder begreep hij niks van. Die boot begreep hij ook al niet. En dan helemaal dat belachelijke over bidden, zonden en overgeven. “Wat moet je daar nou van maken?” Er waren echter woorden, die zich vastgrepen in zijn brein: Liefde, vrede, rust. Hij keek weer naar zijn tante. Een uitgeblust lichaam. Hij wist het niet.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende