U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 18

Een kerkentocht door Amsterdam. Het idee alleen al benauwde Owen. Velen gaan op kroegentocht. Daar moest die nou echt niet aan denken. Maar om nou te zeggen dat dit een eitje is gaat Owen ook te ver. Kerkgang betekent sociale omgang. Op zich te doen als je de cultuur verstaat. Hij verstaat iets van de taal in politieke sfeer. Congressen heeft hij bijgewoond. Verkiezingsstrijd had hij al geproefd. Debatten kon hij van smullen. Maar wat staat hem te wachten binnen het kerkelijke domein?

Op een enkel terrein had hij al eens iets opgesnoven. Eén gebied was zelfs al ruim getoetst: Het Leger des Heils. Tot een jaar of zeven/acht had hij daar op zondagsschool gezeten. Het laatste jaar zelfs als Toeteraar, geluidsoverlast veroorzakend voor de buurt, heimelijk verliefd op de dochter van Brigadier Dirigent. Het Leger met de hiërarchische structuur, de uniformen en de kampen was echter heel ver buiten zijn blikveld terecht gekomen.

Twee andere terreinen had hij ook al eens bewandeld. De Doopsgezinde Gemeente en de Pinkstergemeente. Waren de Doopsgezinden hetzelfde geweest als hun Amish broeders en zusters in Amerika, dan was deze kerk zeker voor een nader onderzoek in aanmerking gekomen. Het waren echter nou juist de geestelijke samenkomsten waar hij geen hout van begreep. Als die boodschap dan zo belangrijk is, waarom nemen ze er dan niet even de tijd voor in hun dienst? Wat had Owen hen graag zijn dilemma van haat in ruil voor de liefde voorgelegd. Blijkbaar past zo´n vraag nergens in zo´n dienst.

Die zuster Frederikse van de Pinkstergemeente stond Owen nog heel goed bij:
Geweldloosheid? Heb jij je prioriteiten wel op orde, beste jongen? Het draait niet om geweldloosheid! Het draait om Gods koninkrijk en die breekt zich baan met geweld! Waar blijf je dan met je geweldloosheid? Waar God strijdt, daar voert Hij Zijn heilige oorlogen! Hoe zou dat moeten, geweldloos? Geloof jij soms niet in Jezus, die nog wel profeteerde dat er oorlogen en geruchten van oorlogen zouden zijn tot het einde? Wat nou, geweldloosheid?”
Nee, die had haar antwoord er wel al stevig ingebeukt. Een nadere controle leek Owen een tikkeltje overbodig.

Van de Dam liep Owen de Kalverstraat in. Naast de Slegte, een tikkeltje verscholen, stond De Papegaai. Een Katholieke Kerk, waarvan de deur altijd openstond. Alsof hij iets slechts van plan was keek hij schichtig om zich heen en stapte snel naar binnen. Hier ontspande zijn loop weer. Hij keek naar binnen. Lege kerk met banken. Op de achterste nam hij plaats. Het duurde even. Iemand kwam binnen, liep door het pad naar voren, deed daar iets, een lichtje aan, knielde, stond weer op, liep weer weg. Owen ging ook eens vooraan kijken. Beelden. “Vreemd”, dacht hij en ging weer naar buiten. “Je hoort”, dacht Owen, “dat er hier een antwoord moet zijn, maar er wordt niet eens iets gezegd! Idioot!”. Hij liep naar huis.

Het is Woensdagmiddag. Op deze dag heb je elke week tussen de middag de Alle-dag-kerk op het Begijnehof. In het hofje staat al een rij te wachten. Owen sluit ook aan. “Dit moet een soort Hervormde dienst worden, wat dat ook mocht betekenen”, had hij al begrepen. In elk geval had hij gelezen dat er ook gesproken zou worden. “Dat scheelt alweer een slok op een borrel`, dacht hij. “Heb je in elk geval ergens ook nog kans op een antwoord”.

De dienst begint met orgelspel en hij begrijpt dat nu iedereen al begonnen moet zijn aan het eerste lied op het blaadje. Owen doet zijn best, maar hij kan die gekke woorden op het papiertje nergens ontwaren in de treurig voortslepende geluidsmachine, dat voor zang moest doorgaan. Hij herkent iets van de vreemde cultuur, waar hij zich bij de doopsgezinden al over verbaasd had. Maar er is een toespraak.

Owen recht de rug, gaat er helemaal voor zitten. “Wie weet wordt er nu concreet iets gezegd over liefde en haat over vrede en chaos!”. Gretig luistert hij het volle kwartier van de toespraak. Naast hem verzit iemand om wat makkelijker te kunnen slapen. Voor hem zitten ze te praten. “Lastig”, denkt die, “Ik wil helemaal niet weten wat ze bij Febo van plan zijn te gaan eten. Wat die man verkondigt, kan ik geen touw aan vastknopen!” Owen loopt het Begijnehof uit. “Maar even langs Febo om toch die staaf te trekken, die zo lekker moet zijn”. Gauw naar huis.

Die zondag heeft Owen de Oosterparkkerk naast het Tropenmuseum erop uitgekozen voor zijn zoektocht. Hij zit nog maar net of één van zijn pesters komt binnen. Roel zit natuurlijk gewoon bij hem in de klas en is dus feitelijk medeleerling. Hier blijkt hij dan ook helemaal geen pester te zijn. Roel is gelovig. Hij is gereformeerd. Roel helpt hem nu door de hele dienst heen in de zin dat hij telkens alles eerst uitlegt. Uitgelezen kans natuurlijk dat Owen er nu eindelijk iets meer van oppikt. Als Owen dan ook eindelijk weer op straat naar huis loopt, dan heeft die heel goed begrepen hoe populair deze dominee wel is, hoe sportief die wel niet is en hoeveel die van de hedendaagse popmuziek wel niet afweet. Ja, Roel heeft hem echt in alles wegwijs gemaakt.

Owen begreep nog steeds niet wat al dat Popie Jopie gedoe nou met dominee zijn te maken had. Eigenlijk begreep Owen na die hele kerkentocht nog steeds niks van al dat christelijke gedoe. “Vreemd cultuurtje”, dat had die wel in de smiezen. Totaal onbegrijpelijk voor Owen waar dit nou allemaal op sloeg. Hij dacht: “Pa heeft dus misschien wel gelijk. Dat hele christelijk gedoe is één brok nepperij!” Voor Owen was dit het eind van zijn zoektocht naar God. “Die bestaat dus gewoon niet! Een zondags spelletje voor die gekke mensen!” Hij wist niet mee waar en hoe, maar zijn zoektocht naar een antwoord moest dus een andere richting op.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende