U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 17

Een stralende zomerdag. Buiten aan de gracht wordt gelachen en vrolijk gepraat. Owen grijpt het kussen en propt het over zijn oren. Gordijnen dicht. Het is donker, pikdonker in zijn kamer. Owen is zijn bed weer uitgekomen, zit aan tafel, hoofd bonkend op het tafelblad, handen op de oren. Dan rent hij weer naar het toilet om te spugen.

De laatste dagen hadden stress en angst als een bonte schakering zijn denken leeg gepompt. “Liefde! Onvoorwaardelijke liefde! Het vocht met haat, nijd, vijandschap, weerzin”. Pompende bloedvaten! Een hart, waarvan de pompende beweging overal te voelen was behalve waar het hoort. Weer een golf spoot in het toilet. “Inzichten op de rit”, dat wilde hij. Geen ruimte voor gedachten. Emoties overspoelden.

“Waarom haat? Liefde is toch…..?”. Lichtflitsen! Rondtollende zwarte driehoekjes. Rondjes schieten de grond in, verschijnen weer op een ander plek. Een dwerg? Een muts? Het blikveld vertroebelt. Stukken zicht vallen weg. Lijnen trekken door het plaatje. Pijn in de arm! “Ik wil het goede. Het wordt zo´n puinhoop! Waarom vijandschap? Ik ken die politie niet eens! Laat staan Johnson! Die griezel!” Er komt weer een hele golf uit.

Sinds de demonstratie had Owen voortdurend vergeefs geprobeerd zijn denken op de rit te krijgen. Telkens liep dat vast in bonkende migraine. De meest idiote ervaringen stokten elk nuchter denken. Elke mogelijkheid tot bezinning leek volkomen verdwenen. Wat voor kleine overpeinzing ook resulteerde in een droge mond, hartkloppingen, een hoofd dat niet meer stil te krijgen was, ook niet ´s avonds, ook niet ´s nachts. Geen slaap. Geen dutje. Elk geluid werd een horengeschal. Elk sprankje licht een overval. “Waarom? Waarom?” Owen stormde weer op de muur aan om de pijn te overstemmen. “O moe! Zo moe!”

Owen wordt wakker op de vloer van de douchecel. Geen idee hoe hij daar kwam. Het lijkt alsof de hoofdpijn weg is. Hij staat op. Kijkt om zich heen. Hij kan nuchter nadenken. Hij loopt naar zijn kamer, doet de gordijnen open. Het licht schijnt de kamer in. Geen probleem. Owen zucht. De storm lijkt bedaard. Hij denkt weer aan zijn ideaal: Liefde en vrede. Hij was in botsing gekomen met zijn eigen ideaal. Haat en onrust, teruggevonden in zijn eigen hart. Hij kon zo goed oordelen. Mocht iemand denken enige kennis van goed en kwaad te hebben, dan had Owen toch wel het idee dat hij die persoon veruit overtrof. Kennis genoeg. Daarom had hij zo bewust gekozen voor het goede. Maar nu bleek die kennis van goed en kwaad hemzelf te veroordelen. Hij koos namelijk voor het kwaad.

Uiterlijk was er nog altijd niks kwaads terug te vinden bij Owen. Iedereen vond Owen wel een apart figuur, maar dan wel een aparteling waar geen greintje kwaad in zat. Zo werd er eigenlijk door iedereen naar Owen gekeken. Hij had geen echte vrienden, maar iedereen die hem kende mocht hem wel. Het oordeel was dan altijd wel positief: “Een goeie gast”. Er gebeurde echter iets wat niet uiterlijk was.

In het brein van Owen zelf was een plantje gaan groeien. Dat plantje tierde welig. Het werd een struik en groeide verder tot een grote boom, dat alles overwoekerde. Het was Owens eigen kennis van wat goed en wat kwaad is. Eerst was het teer en zacht en had het de meest liefdevolle idealen als vrucht. Maar bij de laatste demonstratie was er een andere vrucht bij gekomen. Owens eigen kennis van het kwaad klaagde hem nu doorlopend aan. Nee, inderdaad. Voor niemand anders was er ook maar iets kwaads in het leven van Owen binnen gekomen. Voor Owen ruïneerde deze uit zijn krachten gegroeide boom zijn hele denken, zijn hele doen en laten. Owen wist dat hij niet deugde.

Owen is best wel blij dat hij nu weer eens eventjes echt geslapen heeft. Hij voelt zich een stuk beter. Hij kan in zijn denken de zaken weer realistisch op de rit zetten. Hij had een mooi ideaalbeeld. Daar zit nou een smet op. Blijkbaar steekt hijzelf niet zo goed in elkaar als dat die dacht. “Maar waar moet hij dan het antwoord zoeken?” Owen kende genoeg christenen, die in de kerk het antwoord zoeken. Toespraken op de radio vond hij wel altijd interessant, maar kerkdiensten? Hij begreep zo´n hele voorstelling nooit.

Owen lachte. Hij dacht weer terug aan die rake trap, die hij aan zijn Pa had uitgedeeld toen die probeerde hem toch naar de zondagschool van het Leger te krijgen. Pa had hem ook maar makkelijk laten gaan omdat die er zelf ook al helemaal niks aan deed. Vanaf dat moment was die nergens meer naartoe geweest op die paar gekke pinkstersamenkomsten na. “Maar ja”, dacht Owen nu, “ik moet toch een antwoord zien te vinden op dit dilemma dat ik een mooi idee kan hebben, maar dat ik het toch verknal”. Owen nam zich voor om de kerken van Amsterdam eens van binnen te gaan bekijken.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende