U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hoofdstuk 13

Het miezerde, maar bij Owen geen sombere stemming. O nee! Hij liet zich niet ontmoedigen. Hij was vroeg op. Die middag zou hij namelijk meelopen in de demonstratie tegen de oorlog in Vietnam.
“Daar moet jij je niet mee inlaten, Owen!”, had Ma gezegd. “Moet je eens kijken wat voor ellende er allemaal van komt!”. Ze hadden reportages uit Amerika gezien. Dat beloofde niet veel goeds. Ma was bezorgd, Pa was tegen.

Eigenlijk begreep hij de felle reactie van zijn ouders niet. Hij had geprobeerd zijn Pa om te praten door te wijzen op de gigantische hoeveelheid doden die bij de bombardementen en door het sproeien met het ontbladeringsmiddel ´Agent Orange´ gevallen waren. Niet alleen de Vietcong, maar hele dorpen met onschuldige inwoners werden daarmee uitgeroeid. Pa wilde er niks van weten. “Weet wel”, zei hij, “dat Johnson een bevriend staatshoofd is. Voor je het weet word je opgepakt voor belediging van een bevriend staatshoofd! En dan zit je wel een tijdje goed vast!”
“Ach ja, Johnson is ook gewoon een moordgoser”,
antwoordde Owen, zijn vader tamelijk vertwijfeld achterlatend.

De vader van Owen was de beroerdste niet, maar als hij ergens een standpunt over innam, dan beet hij zich vast ook. Voor hem was het belangrijkste dat hij zijn zoon niet in de bajes zag verdwijnen. Als het nou niet zo persoonlijk was, dan had hij eigenlijk nog een heel eind mee kunnen gaan in het denken van zijn zoon, maar dit was gewoon te riskant. Hij wou zijn zoon niet kwijt!

´s Middags stond Owen op het punt te vertrekken, toen Ma nog een poging waagde: “Jongen, ze stellen die oorlog dan wel heel verschrikkelijk voor, maar meeste kans valt het allemaal wel mee! Je hoeft daarvoor toch niet met die gekke lui op te trekken?”
Owen keek zijn moeder aan. “Wir haben es nicht gewusst! Ja, dat klonk een keertje. Wij kunnen dat niet meer zeggen, want wij weten het wel! Maar je kan gerust zijn. Die mensen sterven heel ver weg.” Owen trok de deur achter zich dicht, liep de trap af naar buiten.

Op het Museumplein stond al een hele groep. Iedereen kreeg de route. Ze zouden bij het Amerikaans consulaat de protest petitie aanbieden. Niemand thuis. Die verdween dus in de brievenbus. Afspraak was geen enkele belediging te uiten, dat wil zeggen: In het Nederlands.

Daar liepen ze! “Johnson Assassin! Johnson Assassin!” Owen schreeuwde enthousiast mee dat het een lieve lust was. Politie te paard. “Wat moet dat? Wat riep jij?”. Dat ging Owen net even te snel. Helemaal verbouwereerd bleef hij stokstijf staan naast het paard. “Wat betekent dat? Johnsons Assassin?” O, wat had Owen nu graag op bed in zijn kamer gezeten! Een kwart metertje in elkaar gedoken antwoordde hij schuchter: “Weet ik niet meneer!” Hij kon er niks anders uitkrijgen, maar het was ook precies het antwoord volgens afspraak. “Assassasaasasa, weet niet….”.
Politie zwaaide met zijn hand. “Doorlopen!” Owen voelde zich als aan een groot gevaar ontsnapt.

Alles was verder helemaal rustig verlopen en Owen voelde zich erg tevreden en gesterkt om nu zijn ouders ook van de geslaagde demonstratie op de hoogte te brengen. Hij kwam thuis. Pa en ma renden gelijk op hem af. “O, wat zijn we blij dat je goed en wel weer thuis bent. Wil je zoiets alsjeblieft nooit meer doen? We hebben zo in angst gezeten!” De televisie stond aan en toonde verschrikkelijke beelden van ongeregeldheden en vechtpartijen met de politie. “Zo was het helemaal niet!”, riep Owen nog. Maar zijn ouders wisten beter. Ze hadden het namelijk zelf op TV gezien.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende