U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Israel, De Parel In Gods Hand

We pakken weer de Bijbeltekst met de eerstvolgende vermelding van het oordeel van God op:
Deuteronomium 32:35-36 Mij komt de wraak toe en de vergelding tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen, want de dag van hun verderf is nabij, snel komt nader wat over hen is beschikt. Yahweh zal Zijn volk oordelen en Zich ontfermen over Zijn knechten;

Het gaat hier achtereenvolgens over de wraak van God, de vergelding van God, het verderf en de beschikte oordelen over het volk Israel. Je zou wellicht denken dat het gewoon niet meer erger kan. Dit is dan ook een favoriet Bijbelgedeelte voor oordeelspredikers om hun razende God uit de kast te halen.

Maar wat is het vervolg op al die wraak, vergelding, verderf en oordelen? Na dat alles komt het heerlijke feit dat Yahweh zich zal ontfermen. Hier zien we wie God werkelijk is: Een liefhebbend, ontfermend God. Met al die wraak, met al die vergelding, met al dat verderf en al die oordelen werkt Gods liefde heen naar die ontferming.

In onze vorige studie waren we in vers 29 blijven steken.
Deuteronomium 32:29 Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan, zij zouden op hun einde letten.
Gods oproep is niet om op al die wraak, die vergelding, dat verderf en die oordelen te letten. Bekijk dat alles in het licht van het einde, is Zijn oproep hier. Wat is het einde? De dood? Die wraak? Die vergelding? Dat verderf? Die oordelen? Nee!!!

Al die oordelen van God zijn slechts middelen om het volk Israel, de volkeren, maar ook ons, bij Zijn werk van genade te bepalen. Wat is in dit hoofdstuk nou het einde?
Deuteronomium 32: 36 Yahweh zal … Zich ontfermen over Zijn knechten;
Deuteronomium 32: 39 Ik dood en doe herleven, Ik verbrijzel en Ik genees,
Deuteronomium 32: 43 Hij verzoent Zijn land, Zijn volk.

Deuteronomium 32:35-36 Mij komt
de wraak toe en de vergelding tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen, want de dag van hun verderf is nabij, snel komt nader wat over hen is beschikt. Yahweh zal Zijn volk oordelen en Zich ontfermen over Zijn knechten;
We zijn in dit gedeelte profetisch midden in de Dag van de Here aangekomen. God heeft de profetische lijn met Zijn aardse volk hier weer opgepakt. De dag van Zijn oordeel is aangebroken.

We zitten in ons gedeelte ook werkelijk midden in de meest ellendige tijd die je voor het aardse volk van Israel maar kan indenken! In de volgende studies zullen we ook nog inzoomen op die tijd van de grote verdrukking, de tijd die ook wel de tijd van Jacobs benauwdheid wordt genoemd.

We hebben dit hoofdstuk al bekeken tot en met vers 29. We werden daar opgeroepen om op het einde te letten. God heeft een plan met een grandioos goed einde: Hij gaat Zich ontfermen.! Hij doet herleven! Hij geneest! Hij verzoent Zijn land, Zijn volk. Heel Israel wordt gered, ondanks al die zwarte, ellendige profetische vergezichten. God werkt naar dat positieve goede einde. Dat doet Zijn liefde!

Maar die tijd van de grote verdrukking, die tijd van Jacobs benauwdheid wordt afgrijselijk beschreven in de verzen 30 tot en met 33.
Deuteronomium 32: 30-33 Hoe zou één er duizend kunnen najagen en zouden twee er tienduizend op de vlucht kunnen drijven, als niet hun Rots hen verkocht en Yahweh hen prijsgegeven had. Want hun rots is niet als onze Rots; onze vijanden mogen zelf oordelen. Waarlijk, hun wijnstok stamt uit de wijnstok van Sodom en uit de wijngaarden van Gomorra; hun druiven zijn giftige druiven, bitter zijn hun trossen. Hun wijn is slangevenijn en wreed addervergif.

God zelf is de Rots van Israel, maar zij hebben Hem zo afgewezen dat hun Rots hen verkocht heeft. Ze zijn aan zichzelf uitgeleverd. Het klinkt zo radicaal hier dat de kerk er zelfs een hele leer op gebouwd heeft en verkondigt dat Israel afgedaan heeft en dat wij als kerk daar nu voor in de plaats zouden zijn gekomen. Die kerk kent de trouw van God nou eenmaal niet en dan komen ze op zulke denkbeelden. Die kerk ziet Gods liefde nu eenmaal niet in Zijn oordelen en dan is hun meedogenloze houding naar Israel ook niet zo onvoorstelbaar. Die kerk kent de God, die liefde in wezen is, nu eenmaal niet.

Ik zei al dat we echt stevig gaan inzoomen op de verschrikkelijke ontwikkelingen voor het Joodse volk in de tijd van Jacobs benauwdheid, zoals die in deze verzen getekend wordt, maar eerst wil ik het volle licht op de enig overgebleven tekst tussen deze beschrijving (verzen 30-33) en ons oordeelsgedeelte (verzen 35-36) laten schijnen.
Deuteronomium 32: 34 Is het niet bij Mij weggeborgen, verzegeld in mijn schatkamers?

Een afgrijselijke beschrijving van de situatie van het aardse volk Israel in de verzen 30-33. Gruwelijker, huiveringwekkender kan dit volk zijn verachting, zijn verwerping van de ware Messias niet tonen. Het gaat een relatie met een rots aan, die hun Rots niet is! Ze sluiten een verbond met de vijand! Ze laten zich vollopen met vergif en venijn! Wat proclameer Mozes hier in vers 34 dan als de uitspraak van Yahweh?

Midden in die afschuwelijke situatie laat God Zijn hart spreken. Hij kijkt naar dit volk, dat Hem zo verwerpt en Hij zegt: ‘Ik heb jullie bij Mij weggeborgen’. Zoals in de vijftiger jaren Donald Jones zong: ‘Ik zou je zo graag in een doosje willen doen en je bewaren, heel goed bewaren’. God heeft dit volk in Zijn doosje gedaan om hen voor Zichzelf te bewaren. Hij heeft hen verzegeld. Zij vormen Zijn grootste schat! En nou juist midden in deze situatie schreeuwt Hij hen dit toe: 'Jullie zijn Mijn schat!!!'

Profetisch wordt God hier als het ware met het meest verschrikkelijke van Zijn volk geconfronteerd. Je leest dan vrijwel ook in alle uitlegboekjes en natuurlijk ook op het internet dat God nog maar één ding kan doen. Een definitieve eindoordeel van hel en verdoemenis voor alle eeuwigheid. Zo is de mens! Zo is ook de ‘christelijke’ mens, die zijn eigen christelijke ‘god’ geschapen heeft. Zo is God absoluut niet!

God zingt Israel als het ware dat bekende kinderliedje toe ‘Een Parel In Gods Hand’
Ze zeggen allemaal Israel kan niks doen, ze zijn zo’n oen
Ze vertrouwen wel op de antichrist, het kan ook niks
Nu hebben ze alweer met een bom gegooid, het leert het nooit
Ze luisteren niet naar wat de Here zegt, heeft altijd pech

Weet jij wel dat ik, je Vader, jou ken?
Weet je dat jij van waarde bent?
Weet je dat jij een parel bent?
Een parel in Mijn hand!
Een parel in Mijn hand!
Deuteronomium 32: 34 Is het niet bij Mij weggeborgen, verzegeld in mijn schatkamers?

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende