U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Uitleg van de verzen 2 Koningen 5: 18-20

2 Koningen 5: 18 Dan is er nog iets. Kan Yahweh op het volgende punt uw knecht genadig zijn? Als ik me neerbuig in het huis van Rimmon, want mijn meester (de koning van Syrië dus) gaat in dat huis van Rimmon om daar te aanbidden en dan leunt hij op mijn hand.
Naäman stelt hier een lastige vraag aan de profeet Elisa. Een lastige vraag als we het met onze wettische bril op blijven bekijken. Naäman kwam er niet onderuit om wanneer zijn meester neerknielde om een afgod te aanbidden zelf ook mee te knielen. De naam wordt er eventjes letterlijk bij genoemd. “Het huis van Rimmon”. Rimmon, de dondergod van Syrië. Dat is toch zeker een afgod?! We staan al gelijk weer met onze oordelen klaar, denk je ook niet? Dat kan niet? Dat mag niet? Dat is uit den boze! Nou ja, kijk maar eens bijvoorbeeld naar die kilometerslange discussies die er momenteel op Facebook spelen rond een bepaalde titel van God “Allah”.

Hij vroeg hier bij voorbaat vergeving voor zondige aanbidding. Dit is voor veel gelovigen net zo´n probleem. Van te voren om vergeving vragen van iets dat echt niet kan en waarvan je weet dat je het toch zult gaan doen. Daar zijn al aardig wat tuchtkwesties in kerken over ontstaan.

Bij het daadwerkelijke, concrete gebeuren van vergeving (2000 jaar geleden) waren echter al onze zonden nog toekomstig. Alles is bij voorbaat vergeven, ja meer nog totaal met wortel en tak uitgeroeid. Voor alle duidelijkheid: Wij hadden toen nog niets gedaan. Toen God mij overweldigde en ik dus tot geloof kwam, toen was het al helemaal een feit dat alles weggedaan was. Dat is Gods werk van genade.

Kunnen we dan zo lichtvaardig omspringen met iets dergelijks als afgodendienst?
Laten we nou eerlijk zijn. Als ik er niet vanuit ga als gelovige dat Christus Zijn werk in mij wil werken, dan buig ik mij neer voor mijn eigen inspanningen. Ik buig me dan dus neer voor een afgod. Dat is zondige aanbidding. Die schuld heeft God weggedaan bij voorbaat en die daad is vernietigd op het kruis van Golgotha. Dat is Gods werk van genade.

Het werk van Gods genade bleef niet steken bij het kruis. Christus is opgestaan. Ik ben met Christus opgewekt. Dat is niet meer mijn ik maar Christus leeft in mij (Galaten 2: 20). Dat is het leven uit genade. Dat voorzag de profeet Elisa ook bij Naäman. Genade hoeft niet te tobben wat de oude mens eventueel nog zal gaan doen. Genade rekent met het nieuwe leven in Christus. Dat is Gods werk van genade.

2 Koningen 5: 19 Hij zei tegen hem: Ga heen in vrede. En hij vertrok naar zij verre land.
“Ga heen in vrede”? Je kan niet zo lichtvaardig omgaan met afgodendienst?
Exodus 22: 20 Wie de goden offert, behalve Yahweh alleen, die zal verbannen (oftewel: gedood) worden.
Pure minachting voor Gods wet volgens die orthodoxie. Maar genade zegt: “Ga in vrede”.

2 Koningen 5: 20 Gehazi, de knecht van Elisa, de man Gods, dacht: Moet je nou eens kijken, mijn meester heeft zich ingehouden dat hij van deze Syriër Naäman iets zou aannemen wat hij meegebracht heeft: Yahweh leeft dan wel, maar ik ga hem achterna om nog wel wat van hem te krijgen.
De naam “Gehazi” betekent “het dal van het (profetisch) gezicht”.
Is het dal van het gezicht het tegenovergestelde van het gezicht oftewel de profetie? Zo wordt het eind van dit hoofdstuk veelal bekeken. Tegenover Gods werk zou de afgang van het menselijk falen staan en zo zou het dan eindigen. Zien we dat ook eigenlijk niet terug in hoe de meeste gelovigen tegen Gods profetisch plan aankijken. Mooi hoor, maar helaas verknald door de mens en dus komt er een altijddurende terechtstelling. Gehazi betekent echter niet iets als: “Het tegenovergestelde van het gezicht”. Het betekent “het dal van het gezicht”. Gods plan gaat door het diepste, het allerdiepste van onze ellende. Het is namelijk een duister dal.
Psalmen 23:4 Al wandelde ik in een duister dal, dan vrees ik nog geen ongeluk, want U bent bij mij; uw stok en uw staf vertroosten mij.

Heel bijzonder wordt het als Gehazi heel ergens anders opnieuw verschijnt, maar dan niet als eigennaam, maar als letterlijke omschrijving van Israël (met name: Jeruzalem), die op eigen kracht en eigen inzicht vertrouwt. (Let wel: In de vertaling lees je niet “Gehazi” maar “het dal van het gezicht”).
Jesaja 22:1 Dit is de last aangaande het dal van het gezicht:
Jesaja 22:5 Het is een dag van beroering en van vertreding en van verwarring van Yahweh, Yahweh Zebaôth, in
het dal van het gezicht, vanwege het ondergraven van de muur en het geschrei naar het gebergte toe.

“Yahweh leeft dan wel, maar ik ga hem achterna”. Tja. Natuurlijk geloofde hij in een levende God, maar dat had in zijn leven geen effect. Zo´n geloofsbelijdenis komt veel voor. Eigenlijk begreep die knecht totaal niets van waar Elisa mee bezig was. Zomaar alles uit genade was in zijn ogen ondenkbaar. Kennen we dat? Iemand heeft leven in Christus ontvangen puur uit genade alleen en wordt dan verder aan de vrede van God overgelaten en dan rent een dienstknecht, ja een knecht van de Heer, erachteraan om toch maar even uit te leggen wat er nu niet allemaal van die nieuwe gelovige verwacht mag worden. Er is namelijk ook nog een heel doen en laten aan verbonden. Dat was die Elisa even vergeten te vermelden volgens die dienstknecht.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende