U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Genade & Vrees In De Nieuw Verbonds Boodschap

Filippi 2: 12 Daarom, mijn geliefden, zoals jullie altijd gehoorzaam zijn geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, je redding bewerken met vreze en beven,

Zoals jullie aan het eind van mijn vorige studie hebben kunnen zien in de toegevoegde link heb ikzelf in het verleden genoeg grond kunnen vinden om de uitdrukking ‘vreze & beven’ een totaal andere inhoud te geven dan de fobie en het trauma dat de woorden in zichzelf bezitten.

Ik wil dus nog even in deze studie ingaan op het woord ‘Vreze/vrees/phobos/fobie’. De 43 Bijbelteksten met dit grondwoord erin simpel achter elkaar lezen. Dat is de makkelijkste manier om de inhoud van dit woord te herlijden. (Dat kan jijzelf met een goed Bijbelprogramma of een concordant). Negen van de tien keer is het onmiskenbaar angst of vrees. We hoeven dan ook niet bij die tiende keer, waar het wat minder duidelijk getekend staat, naar een andere inhoud van dit woord te zoeken. Zoiets is inlegkunde, waarbij ik heel eerlijk moet erkennen me daar in het verleden ook aan schuldig gemaakt te hebben.

Laten we naar de tekenen van het Koninkrijk gaan.
Handelingen 5: 4-5 Jij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. En bij het horen van deze woorden viel Ananias neer en blies de adem uit. En een grote vrees kwam over allen, die het hoorden.
Het resultaat van dit teken van het koninkrijk was grote vrees. Paar verzen verder wordt dat nog eens herhaald.
Handelingen 5:11 Een grote vrees kwam over de hele gemeente en over allen, die dit hoorden.
Deze bewijzen van het komend Koninkrijk veroorzaakten in die Nieuwe Verbonds Synagoge grote angst. Waarom? Omdat men wel degelijk levend dat komend Koninkrijk binnen wilde stappen, oftewel men wilde die redding met vreze en beven bewerken.

Dat het hier om deze letterlijke angst gaat, maakt Paulus zonneklaar als hij in Romeinen 11 schrijft over die edele olijfboom, waar oorspronkelijke takken weggebroken waren om plaats te maken voor ingeënte takken. Niet het hele volk Israel was tot geloof gekomen en toch kwamen er heidenen tot geloof. Dat was niet volgens het plan van de profetie. Er gebeurde daar dus iets tegennatuurlijks. De beschrijving van die olijfboom heeft niks met de Gemeente, het Lichaam van Christus te maken. Het is Gods handelen tijdens de Handelingenperiode. Heidenen kunnen ook dat Koninkrijk binnen gaan en let dan op!

Romeinen 11: 20-22 Goed! Zij [Joodse ongelovigen] zijn om hun ongeloof weggebroken en jullie [heidense gelovigen] staan door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! [Kijk, daar heb je het!] Want indien God de natuurlijke takken [joden] niet gespaard heeft, Hij zal ook jullie [heidenen] niet sparen. Let dan op de goedertierenheid van God en Zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over jullie goedertierenheid van God, indien jullie bij de goedertierenheid blijven; anders zullen jullie ook weggekapt worden.

De heidense gelovigen worden hier glashard opgeroepen om bang te zijn in hun weg. Waarom? Net zoals joden vanwege hun ongeloof weggekapt waren, zo konden ook zij weggekapt worden. Nou moeten we goed opletten want we willen Gods genade hierin nogal eens niet herkennen. Dat ‘blijven bij die goedertierenheid van God’ was ook in die huishouding van God vanzelfsprekend de werking van Gods genade. Onder het Nieuwe Verbond werkte Gods genade namelijk deze volharding uit. Het moest dus blijken. Bleek het niet zo te zijn, dan werden ze weggekapt. Die redding van hun plekje in het komend Koninkrijk werd dus met vreze en beven bewerkt.

Onder de prediking van het koninkrijk was het gebruikelijk om de redding te bewerken met vreze en beven, zoals ook in de volgende Bijbelteksten:
2 Corinthe 7:1 Omdat wij nu deze beloften bezitten, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling van het vlees en van de geest, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze van God.
De beloften van God zijn specifiek gericht op het Nieuwe Verbond. De genade in hen bewijst in de praktijk dat zij dit waard zijn. Zo bewerken ze hun redding (plaats in het Koninkrijk) met vreze en beven.

Hier een paralleltekst:
2 Petrus 1:4-8 Wij zijn met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat jullie daardoor deel zouden hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst. Maar voegt daarom met betoon van alle ijver door je geloof de deugd eraan toe, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelfbeheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht, door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde naar iedereen toe. Want als deze dingen bij jullie aanwezig zijn en overvloedig worden, laten zij je niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus.
De beloften weer i.v.m. het Nieuwe Verbond. De genade weer, die deze praktijk uitwerkt. En ook hier wordt door hen hun redding bewerkt met vreze en beven.

Nog een paralleltekst, maar iets meer omstreden:
Titus 2:11-14 De genade van God is verschenen, …,om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven,verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.
Het omstreden zijn zit hem in het feit dat de gelovigen, die net als ik in het geheimenis geloven, hier een omschrijving voor de Gemeente, het Lichaam van Christus, in zien. Het is inderdaad na de openbaring van het geheimenis geschreven, maar…. De boodschap in de brief is helemaal Nieuw Verbonds. (Daar kom ik later, als ik mijn nieuwe kijk op die brief beschrijf, nog op terug.) Nu ter afsluiting van deze studie over dit zesde punt nog de kenmerken binnen deze tekst.

Het gaat hier over het eigen volk van God. Moet het nog een vraag zijn wie daarmee bedoeld wordt? Opnieuw is er in het leven een heel duidelijk weg van reiniging en afzondering, zoals we die ook bij de vorige teksten terugvonden. Het doel van deze praktijk is gericht op Christus Jezus komst naar deze aarde voor Zijn aardse koninkrijk. Opnieuw is hier dus sprake van een bewerken van de redding met vreze en beven. Hier staat echter onomwonden aan de start de bron, waar deze praktijk uit voortkomt: de genade van God. Vandaar dat Paulus ook in onze uitgangstekst in Filippi afsluit met de verwijzing naar diezelfde genade als bron voor dit bewerken met vreze en beven van deze redding.
Filippi 2: 13 want God is het, die om het plezier dat Hij erin heeft zowel het willen als het werken in jullie werkt.

Zo sluiten we hiermee ook punt zeven van mijn lijstje af.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende