U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

God schept iets nieuws!

Jeremia 18: 4 Het vat, dat hij van de klei aan het maken was, is een puinhoop onder Zijn handen;
We hebben reeds over die puinhoop, die ruïne, nagedacht. Zelfs heel even gaf ik aan dat we hierbij ook aan onszelf kunnen denken. Wat was ons leven een puinhoop! Maar kijk nou eens wat er precies staat!
Jeremia 18: 4 Een puinhoop onder Zijn handen;

Ons leven kan nog zo in het honderd gelopen zijn, we zijn nooit buiten Zijn handen! Ik zie me nog met mijn verlangen naar vrede en liefde mee marcheren in die protestmarsen tegen de oorlog in Vietnam. Wat een Peace, wat een vrede, streefde ik na. Ik constateerde in mijn eigen hart pure haat tegen de in mijn ogen veroorzakers van al die ellende en ik kon daar niet mee overweg. Ik was een puinhoop! Mijn leven was een ruïne! Wat ik absoluut niet wenste speelde gigantisch op in mijn hele beleving. Ik had er geen antwoord op. Maar ook toen was ik in Gods handen. God werkte aan mijn hart. En wat doet Hij dan?

Jeremia 18: 4 Toen maakte hij daar weer een heel ander vat van, precies zoals hij het wenste.
In de voorgaande verzen was dit vat een puinhoop, een ruïne, maar de Pottenbakker vormde het weer helemaal om tot een bruikbaar vat. Wij kijken er tegenaan en wij zouden het als mensen meeste kans pas van echte liefde vinden getuigen als die Pottenbakker dan dat aarden vat ging ondersteunen en hem wat ging opknappen. Dat zou in ons gevoel van zijn liefde getuigen. Maar nee hoor, niks daarvan! Nee, dat vat gaat er in vers 4 gewoon helemaal aan en er wordt een nieuwe van gemaakt. Het is mooi om het toe te passen op onszelf, maar blijf in gedachte houden dat het hier primair over het aardse volk van God, Israël, gaat.

Hoe krijgt dat scheppen van een volkomen nieuw vat in de concrete situatie, waar dit pottenbakkerswerk feitelijk van spreekt, vorm? In vers 6 en 7 is God tegen Jeremia daar overduidelijk over. Het huis van Israël blijkt hier aangeduid te worden als zo´n aarden vat. Wat gebeurt er met dat vat? Het wordt uitgeroeid, verbroken en verdorven.
Huis van Israël. Snel spreek Ik tot een volk of koninkrijk, dat Ik het uitroeien, verbreken en verderven zal;

Hier is het dus opnieuw God, die het kwaad schept in die persoon van de Pottenbakker. In vers 8 wordt dat kwaad ook met name genoemd:
“Zodra dit volk, over wie Ik dit uitgesproken had, zich bekeert van zijn kwaad, dan heb Ik ook berouw over het kwaad, dat Ik hen dacht aan te doen.”

Waarom komt God hier weer met kwaad? Voorbeeld zien we bij de Pottenbakker. Die repareert het vat niet. Het volkomen mislukte vat wordt niet nog wat opgekalefaterd. Ik denk dat ik dat wel geprobeerd zou hebben. Maar God ziet een perfect einddoel. Hier zijn we dan ook precies aanbeland bij het essentiële punt, waar het in dit hoofdstuk (Jesaja 45) voortdurend om draait. God gaat dit vat gebruiken! Okay, wij zien er dan nog wel niks van als het zo´n puinhoop is, maar dat vat is in de handen van de Pottenbakker en Hij maakt iets nieuws!

Hoe kunnen we dit bovenstaande nu samenvatten?

Een vat dat toebereid was om een vat te zijn van de toorn van God, een vat dat opvoedt, een vat ter reiniging, een vat om uit te roeien, te verbreken en te verderven, dat wordt onder de machtige Hand van de Pottenbakker een vat van Zijn barmhartigheid om de rijkdommen van Zijn heerlijkheid op bekend te maken. Je ziet de link misschien al naar Romeinen 9 (kom ik nog uitgebreid op terug).

Het geweldige is dat die functie tot verkondiging van Gods barmhartigheid voor dit vat reeds van voor alle tijden in Gods planning zat. Deze vaten waarop God die heerlijke proclamatie gaat uitvoeren zijn namelijk niet gaandeweg toebereid, maar waren van tevoren reeds bereid. Om als werktuig van Gods barmhartigheid te werken zat er in Gods plan al lang en breed in.

Een heel mooi plaatje van dit gebeuren tekent de Heer in Zijn eerste wonder op aarde:
Johannes 2: 6-7 Er waren zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metréten. Jezus zei tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. En hij zei tot hen: Schept nu en brengt het naar de hofmeester; en zij brachten het. Toen nu de hofmeester het water dat wijn geworden was, geproefd had, (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het) riep de hofmeester de bruidegom en zei tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn op en als men veel gedronken heeft, de mindere; gij hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. Dit begin van de tekenen deed Jezus te Kana in Galiléa en openbaarde zijn heerlijkheid; en zijn discipelen geloofden in hem.

Hier zijn zes watervaten toebereid. Waartoe zijn ze toebereid? Als reinigingswatervaten, vaten om al het kwaad uit te roeien, te verbreken en te verderven. Wat blijkt? Deze vaten zitten hier in dit hoofdstuk onder de handen van onze Heer en Redder Christus Jezus zelf. Het worden wijnvaten. Vaten bedoeld om het feest van de volle glorie van Zijn heerlijkheid te vieren. Echte vaten van Gods barmhartigheid, waartoe ze reeds van tevoren gepland waren. Te voren bereide vaten van barmhartigheid. God schept iets nieuws!

Jeremia 18: 4 Toen maakte hij daar weer een heel ander vat van, precies zoals hij het wenste.
Het vat wat zo´n puinhoop was, dat was nou juist hiervoor bedoeld. Het was precies zoals Hij het wenste. Dit was de planning. Zo was dit vat tevoren bereid. Wat een heerlijk plan van God!

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende