U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

God geeft de verzoeking

Met deze zesde studie over dit onderwerp zitten we in het midden. Je zou kunnen zeggen dat we tussen vers 7 en vers 9 inzitten. We zitten momenteel dus ergens tussen Gods vrede maken & Zijn kwaad scheppen aan de ene kant en aan de andere kant God, die zichzelf presenteert als de Pottenbakker om het klei tot een bruikbaar vat of kruik te vormen.

Ik pretendeer absoluut niet het finale antwoord op de pijn, de moeite, de ellende en de strijd in deze wereld te hebben. Ik heb echt niet alles even sterk door en zeker emotioneel ben ik nog helemaal niet klaar met het idee dat vanuit de Schrift op me af komt over de God, die alles doet, alles schept, alles in Zijn hand heeft en alles tot het absoluut perfecte einddoel zal leiden. Juist omdat ik me zo ontzettend onzeker voel over dit onderwerp is dit misschien wel het lastigste onderwerp dat ik ooit ben gaan onderzoeken en nu heel voorzichtig voor de aandacht probeer te brengen. Begrijp me goed: Gods Woord is helder en duidelijk, maar ik ben dat zeker lang niet altijd.

Er is één ding, waar ik wel heel blij mee ben. God is liefde en dat werkt in alles wat Hij doet, of dat nou goed of kwaad is, door. God zal altijd in ons leven als gelovigen, maar ook in het leven van de tot nu toe ongelovigen en in het hele bestaan van de kosmos, schepping of wereld actief Zijn overvloeiende rijkdommen van genade laten werken.

God grijpt in binnen mijn leven, binnen jouw leven, binnen ons gezamenlijk leven, binnen de schepping, ja binnen de totale kosmos. Hij gebruikt bij dat ingrijpen van Hem alles wat Hij geschapen en geschonken heeft, dus zowel goed als kwaad. Dat ingrijpen van Hem functioneert als de chirurg, die de redding van het leven van de patiënt op het oog heeft. Hij hakt er in (daar hebben we het kwade), vernietigt (daar hebben we nog eens het kwade), herstelt (daar heb je het goede) en heelt (nog eens een keer het goede), waardoor Hij redt. Alles, zowel goed als kwaad, heeft een plek in Zijn reddend werk.

Met dit voorgaande in gedachte ben ik echt wel blij dat God niet alleen het goede hanteert maar ook het kwaad om tot dat perfecte einddoel te komen. Nee, ik kan eigenlijk niks met de gedachte dat God alleen maar het goede zou hanteren. Dan zou het kwaad dus niet in handen zijn van een gediplomeerd chirurg (om het zo overdrachtelijk voor te stellen), maar van een dolgedraaide massamoordenaar. Welke hoop zou er dan nog voor de mensheid overblijven?

De voorgaande vijf studies hebben reacties opgeleverd. Op één reactie wil ik nog nader ingaan. Men ervaarde met name de uitspraken in 1 Corinthe 10: 13 en Jacobus 1: 13 als enorm botsend. Aan de ene kant Paulus duidelijke uitspraak dat God de verzoeking geeft met dan aan de andere kant Jacobus duidelijk uitspraak dat God niet verzoekt. Die uitspraken klappen in het gehoor van velen op elkaar als een frontale autocrash. Maar klopt dat ook? Is dat inderdaad zo strijdend met elkaar als dat we het eigenlijk zo vluchtig lezend ook ervaren?

Daar komen de teksten:
1 Corinthe 10: 13 Met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven,
Letterlijk dus: God geeft de verzoeking!
Jacobus 1: 13 Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet verzocht worden door het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.
Letterlijk dus: God verzoekt niet!
Besef bij deze beide Bijbelteksten even dat dit de door God geïnspireerde Schrift is! We kunnen aan geen van beide eigenmachtig sleutelen of zelfs eentje ervan doorstrepen.

Zijn deze twee uitspraken nou inderdaad strijdend met elkaar? Eerlijk gezegd zie ik hier helemaal geen tegenstelling. God geeft iets, maar werkt daar niet mee. Beide teksten bij elkaar geven dit ook weer. Is hier een Bijbels voorbeeld van te geven? Dat denk ik wel.

Vader God heeft door het Woord alles geschapen, zelfs het kwaad. Vroeger was ik ervan overtuigd dat het kwaad nooit van God kon komen, dus verwees ik het reeds aanwezig zijn van de boom van de kennis van goed en kwaad door naar de verantwoording van satan. Ik had daar een ontsnappingsclausule voor in de (volgens mij nu onbijbelse) leer van een pre-adamitische geschiedenis (je weet wel. De uitdrukking “werd woest en ledig” i.p.v. “was woest en ledig”.) Daarmee kon ik alle kwade zaken in de wereld op het bordje van satan schuiven. Die leer is in mijn beleving door de mand gevallen.

God schiep het kwaad. God schiep dus ook die boom van de kennis van goed en kwaad. God schiep dus ook de verleiding/verzoeking. Die verleiding werkte prima. Dat bleek wel omdat die boom begeerlijk was.
Genesis 3:6 De vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.

De boom was goed tot spijze. De boom was een lust voor het oog. De boom was begeerlijk om verstandig te worden. De verzoeking is hier dus in ruime mate aanwezig omdat God die in de schepping gegeven heeft. Maar God verzoekt haar niet, God verleidt haar niet. Dat is nou precies wat Paulus en Jacobus samen uitspreken als je het letterlijk neemt.

God geeft de verzoeking!
God verzoekt niet!
God gaf de verzoeking in de vorm van de boom in de hof.
God verzocht de vrouw in de hof niet.

Eigenlijk is het zo simpel wat er staat. God geeft de verzoeking, maar verzoekt niet. Vind je het ook niet eigenaardig dat wij zo´n moeite hebben om dit te plaatsen in ons denken? Dat werkt nou de verzoeking van de theologie uit. We hebben al zo vastomlijnd de leer dat God nooit en te nimmer enige kwaad geeft. Zodra er dan ook maar een minuscuul fragment van zo´n gedachte bij ons binnendringt, dan gaan gelijk alle religieuze alarmbellen van ons dogmatisch denken af.

Het probleem zit er nou eenmaal telkens in dat wij datgene wat mensen doen en ook wat satan doet niet plotseling in een ander daglicht kunnen zien. Als mensen of geestelijke machten iets slechts doen met iets slechts wat God gegeven heeft, dan past het vaak niet in ons menselijke brein om daar dan toch daadwerkelijk God achter te zien. Dan schieten we in de “Verdediging van God” stand. Kijk maar eens naar het voor ons mensen volgende probleem:

1 Kronieken 21:1 De satan stond op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.
“Wat een slechterik, die satan met zijn verleiding. Wat een stommeling, die David, dat hij erin stonk!”
Zo neigen we vaak te denken, nietwaar? Lekker, meteen ons oordeel.

Dan dezelfde geschiedenis vanuit een andere invalshoek bekeken:
2 Samuël 24:1 De toorn van Yahweh ontstak tegen Israël, en Hij (Yahweh dus) spoorde David aan tegen hen, zeggende: Ga heen, tel Israël en Juda.
Voel je de spagaat al aankomen? Dat zitten in die split, daar kom ik nooit meer van overeind. We konden zo lekker kankeren op die verleider genaamd satan, maar dat lijkt ons nu uit handen geslagen. God zit zelf blijkbaar achter die verzoeking.

Bij satan wordt geen reden opgesomd. Hij verleidde gewoon. Dat was zijn taak. Bij God zien we wel de reden waarom. God is weer opvoedend bezig met Zijn aardse volk Israël, wat blijkt uit het vermelden van Zijn toorn. Hij is aan het richten, oftewel aan het recht zetten. Daarvoor gebruikt Hij een knecht, die toevallig satan heet. Satan is blijkbaar een soort bruikbaar vat als het om verleiding draait. Het wordt daarom tijd om over bruikbare vaten te gaan nadenken, oftewel over dienstknechten van de Heer.

Bruikbare vaten, oftewel de boodschap van de Pottenbakker en de klei. We hebben in de voorgaande studies al heel wat vaten en kruiken voor God om in Zijn dienst te gebruiken langs zien komen. Vaak werden ze knechten van God genoemd. Belangrijk wordt dus het feit dat het bij vaten en kruiken om werktuigen in de hand van de Meester draait, werktuigen ten goede, maar ook werktuigen ten kwade. Kwaad en goed, maar alles met het uiteindelijk perfecte einddoel voor ogen. God werkt namelijk alles in Zijn overvloeiende genade en vanuit Zijn onvoorwaardelijke liefde.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende