U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Troost/Berouw In Exodus t/m 1 Samuel

We hebben Genesis helemaal doorgestruind op alle teksten met het Hebreeuwse werkwoord ‘Naham’. De betekenis van ‘troosten’ bleek eigenlijk altijd wel raak. Nu komen we zo langzamerhand aan bij een Bijbeltekst die onomstotelijk lijkt te bewijzen dat dit Hebreeuwse woord voor berouw ook wel degelijk simpelweg ‘berouw’ betekent in de betekenis van ‘spijt ervan hebben’. Dat is als we Exodus binnentreden.
Exodus 13:17 Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land van de Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zei: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren.
Is die volkomen menselijke betekenis ook inderdaad de juiste? Ging het hier om spijt?

Exodus 13:17 Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen,
Primair gaat het er hier weer om dat God de Soeverein is, die dit volk leidt. Het handelen van dit volk breekt God dus niet bij de vingers af.
Exodus 13:17 Niet op de weg naar het land van de Filistijnen, hoewel deze de naaste was;
Menselijkerwijs zou dit volk de makkelijkste weg gekozen hebben. Deze weg van de Filistijnen was een weg van een aantal dagen (niet van 40 jaar) zonder problemen naar het beloofde land. Ze zouden zo het land binnen gewandeld zijn. Het volk had zich daar heerlijk aan kunnen troosten: ‘Hè, dat ging gesmeerd. Wat is dat prettig, zeg!’.
Exodus 13:17 Want God zei: Het volk mocht eens
berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren.
God geeft hier zelf Zijn argument waarom Hij het niet zo gesmeerd liet verlopen. Als ze zich zo getroost hadden met hun voorspoedige tocht, dan zouden ze bij de minste tegenwerking alweer terugkeren naar Egypte. Ze hadden dan niet geleerd op God te vertrouwen.
Ook hier blijkt, hoewel verstopt, dus wel degelijk de ‘vertroosting’ in dit Hebreeuwse woord aanwezig te zijn.

Het volgend Bijbelgedeelte tekent zonneklaar God als Degene die berouw heeft.
Exodus 32:12-14 Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Tot hun onheil heeft Hij hen uitgeleid om hen te doden in de bergen en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat uw brandende toorn varen en heb berouw over het onheil, waarmee U Uw volk bedreigt….. En Yahweh kreeg berouw over het kwaad, dat Hij gezegd had Zijn volk te zullen aandoen.
De plannen van de soevereine God liggen bij voorbaat vast. We zagen al dat God daartoe kwaad of onheil gebruikt om Zijn volk genade en afhankelijkheid te leren. Zo gebruikt de Soeverein hier de Egyptenaren daartoe. Maar voor het volk is hier een ‘tot zover en niet verder’. Er breekt voor het volk Israel hier een tijd aan dat God hen troost over al het kwaad.

Het volgend Bijbelgedeelte dat dan met dit Hebreeuwse werkwoord prijkt lijkt hier pal tegenover te staan omdat dit de beschrijving van de soevereine God is.
Numeri 23:19 God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?

De volgende twee teksten breiden het repertoire aan mogelijke vertalingen van dit Hebreeuwse woord opnieuw uit.
Deuteronomium 32:36 Yahweh zal recht doen aan zijn volk en Zich ontfermen over zijn knechten; wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben,
Richteren 2:18 Yahweh
werd bewogen door hun gekerm over hun verdrukkers en benauwers.
De beide uitdrukkingen ‘zich ontfermen’ en ‘bewogen worden’ zijn weer nieuwe NBG weergaven van ditzelfde Hebreeuwse werkwoord. Deze woorden hebben alweer overduidelijk de vertroosting in zich, die er ook in ligt, maar vanzelfsprekend zou je hier net zo goed kunnen vertalen dat Yahweh ‘berouw had over Zijn knechten’ en dat Hij ‘berouw had door hun gekerm’. Er zit hier een verandering in handelen door God als troost die Hij brengt.

Er komt in de volgende twee teksten nog een Nederlandse weergave van dit Hebreeuwse woord langs: ‘Medelijden hebben’. Ook hier proef je de troost uit dit woord naar voren komen. Dit keer gaat het over de troost, die het volk zelf geeft.
Richteren 21:6 De Israëlieten hadden echter medelijden met hun broeder Benjamin en zeiden: Heden is er een stam van Israel afgesneden;
Richteren 21:15 Het volk
had echter medelijden met Benjamin, omdat Yahweh een breuk had geslagen onder de stammen van Israel.
Bij de volgende tekst volgt de vertaling weer gewoon de primaire betekenis van het woord.
Ruth 2:13 U hebt mij vertroost en naar het hart van uw dienstmaagd gesproken,

De volgende drie teksten moet je bij elkaar in één geheel zien om te begrijpen dat beide uitspraken volkomen waar zijn: 1/ God heeft berouw. 2/ God kent geen berouw en heeft het dus ook niet.
1 Samuel 15:11 Het berouwt Mij [Yahweh], dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd. Hierop ontroerde Samuel hevig en hij riep tot Yahweh de hele nacht.
1 Samuel 15:29 De Onveranderlijke van Israel liegt niet en Hij
kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben.
1 Samuel 15:35 Yahweh
had berouw, dat Hij Saul tot koning over Israel had aangesteld.
In één en hetzelfde hoofdstuk zien we de soevereine God, die geen berouw kent omdat er geen verandering in Zijn plannen plaatsvindt en de Soevereine God, die volgens Zijn vastgestelde plannen een verandering van troost aanbrengt.

Zo hebben we in deze vijfde studie over het berouw/de troost van God nagedacht van Exodus t/m 1 Samuel. De vertalers geven zeer veel variaties, maar telkens herkennen we de troost, die in dit woord besloten ligt, troost omdat God met een nieuwe verandering komt.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende