U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Mijn aannemen, loslaten en toewijden

In de zestiger jaren was ik provo. Puur idealisme om de wereld te veranderen. Ik stuitte echter op mijn eigen onbekwaamheid tot echte vrede, tot echte liefde, tot echte verandering van binnenuit. Toen kwam ik in contact met het christendom en ik begreep er geen hout van, maar de liefde en vrede van God sprak mij aan. Ik leerde echter al snel het volgende jargon.

1. God werkt alles, maar jij moet je hart openstellen anders werkt Hij niet aan jou.
2. Christus Jezus is je Redder, maar jij moet Hem aannemen om gered te worden.
3. God werkt alle genade, maar jij moet je in alle ijver toewijden om loon te ontvangen.
4. Je zonden zijn helemaal uitgedelgd, maar jij moet tegen de zonden vechten.
5. Je oude ik is met Christus gestorven, maar jij moet hem wel loslaten.
6. Christus is nu geheel en al je leven, maar jij moet wel afzien van die zaken die niet van Christus zijn.
Kortom: Alles is dan wel van, uit, door en tot God, maar het uiteindelijk resultaat ligt geheel en al in mijn handen. En zo begon mijn vreemde christenleven: Pure tobberij.

Ik had me open gesteld voor God. Ik had Christus Jezus als mijn Redder aangenomen. Ik was op 17 jarige leeftijd tot geloof gekomen. Van ongelovige provo tot christen. IJverig wijdde ik me toe voor mijn loon. Ik bestreed elke zonde. Ik zorgde dat mijn oude ik niet de kop opstak. Echt in alles zette ik me stevig in voor de Heer. Ik had in de verste verte geen idee van het nieuwe leven in Christus dat gewoon een feit was, niet dankzij mijn keuze, maar simpel dankzij Gods werk.

Acht jaar later was ik vastgelopen in mijn dienst voor de Heer en ontdekte ik voor het eerst iets betreffende Gods genade. God zou het doen en dus stopte ik met zelf doen voor Hem. Genot was mijn deel. Het was maar tijdelijk want al snel pikte ik de resultaten van wat God werkte weer op als iets wat nu bij mijn christen zijn hoorde en dus van mij verwacht werd. Nou juist vanuit die eerste ontdekking van genade ging ik toch weer aan de slag voor God. Het hing weer geheel en al van mijn inzet af.

Ik verkondigde in die tijd wel degelijk de genade. Maar hoe onderwees ik die genade? Ik wees erop hoe we zelf moeten loslaten om de Heer te laten werken. Natuurlijk draaide ik daarmee zelf in een kringetje rond zonder te kunnen loslaten. Ik werd evangelist in de zin dat ik in de tachtiger jaren mijn baan opzei om me volledig aan de dienst van de Heer te wijden.
En dus was ik in de negentiger jaren weer opnieuw vastgelopen in mijn christelijke dienst. Ik besloot de Bijbel weer eens helemaal van voren af aan te gaan lezen, maar nu puur alleen letterlijk. (Ik vergeestelijkte tot dan toe veel om er een praktische boodschap uit te halen.) Alleen letterlijk en kijken wat er dan van overbleef. Dat was de tijd dat ik enorm veel nieuwe dingen in de Bijbel ontdekte. God opende mijn ogen. Het meest wezenlijke waar ik zicht op kreeg was wel Gods onvoorwaardelijke, niet tegen te werken genade.

Ik ontdekte de diverse huishoudingen van God, die gewoon in de Bijbel verstopt blijven als je alles maar als een praktische les naar jezelf toe vergeestelijkt. Maar in alle tijden, onder alle groepen, handelt God vanuit genade en genade alleen. De bron daarvoor is wezenlijk Zijn God zijn. Was ik als mens ook maar een beetje god geweest, dan had ik er inderdaad iets zelf aan kunnen bijdragen, bijvoorbeeld door los te laten, door me toe te wijden, door de zonden te bestrijden, enzovoort. Ik ben echter niet god en dus kan ik zelfs dat schijnbaar zo simpele ook absoluut helemaal niet.

Maar God is wel degelijk God en Hij doet het. Hij doet alles en dat is nou juist het wezen van genade! Hij werkt Zijn genade aan, in en door mij en aan, in en door jou en aan, in en door de grootste zondaar en ook aan, in en door de vroomste huichelaar. God komt tot Zijn doel en dat doet Hij via genade. Hij werkt Zijn liefde uit in elk schepsel.

In de negentiger jaren ontdekte ik dit dus door de Bijbel uitsluitend letterlijk te nemen. Sindsdien was het evenzogoed af en aan met mijn inzicht in de genade. Nog regelmatig bracht ik in de verkondiging de boodschap wat wijzelf kunnen doen om de genade te laten werken. Ik kan je garanderen dat ikzelf er wel elke keer weer in vast liep. In praktische zin dat ik ermee geconfronteerd werd dat ik niet kon loslaten, niet kon toewijden, niet kon strijden tegen de zonde. In Bijbelse zin dat ik iets van mezelf verwachte wat God alleen werken kan.

Ik heb dus veelvuldig de boodschap verkondigd dat wij ons leven moeten toewijden aan de Heer, dat wij ons oude leven moeten loslaten, dat we wel tegen de zonden moeten strijden om Gods genade in de praktijk ook te leren kennen. De Godheid van God en het niet god zijn van mijzelf slaat die boodschap echt radicaal uit de handen. Het is dan ook geen klein nuanceverschilletje tussen deze boodschap van genade en die ik vroeger verkondigde. Het is het grote verschil tussen eigen getob of het heerlijke feit van God onvoorwaardelijke, onweerstaanbare genade voor echt ieder mens.

Jesaja 46: 9-10 Ik [Yahweh] ben God, en er is geen ander God, en niemand is Mij gelijk; Ik, die vanaf het begin de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
God is Degene, die me aangenomen heeft.
God is Degene, die me gered heeft.
God is Degene, die me heeft bevrijd van mijn zonden.
God is Degene, die me losgemaakt heeft van mijn oude ik.
God is Degene, die Zich helemaal aan mij toewijdt.
God is Degene, die God is en niet ik.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende