U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Lijdende Wereld/Zwangere Schepping

‘Lijden en kwaad beheerst de wereld en God doet geen ene moer!’

Zomaar een reactie die ik kreeg op mijn artikelen. Ik denk hier zelf al heel lang over na. Inderdaad, God werkt Zijn genade uit dwars door het lijden van deze wereld en zelfs in ons lijden als Zijn geliefde kinderen. Ook wij worden niet gespaard. God vormt ons tot een stelletje zwakke figuren die het alleen nog maar van Zijn genade kunnen verwachten.

Er is een antwoord.

Romeinen 8: 22-23 Wij weten, dat tot nu toe de hele schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.

Barensnood, een schepping die zwanger is en ook wij ondergaan de weeën. Wij, als gelovigen, zijn er niet van ontheven. ‘Daar komt weer een wee!’ Verschrikkelijk. Waarom doet God daar niks aan?

Klaas en Aart zijn tweelingembryo’s. Al bijna negen maanden drijven ze rond in het vruchtwater van de baarmoeder. Ze hebben duidelijk een klein meningsverschil. Aart had net een voor Klaas totaal niet te verteren stelling geponeerd. Aart had gezegd: ‘Weet je Klaas, ik geloof echt dat er leven is na de geboorte!’

Klaas was echt een beetje geschrokken van zoveel naïviteit van zijn tweelingbroertje. ‘Man, stel je niet zo aan!’, had die verontwaardigd geroepen. ‘Kijk nou eens om je heen! Dit is gewoon alles wat er is! Waarom moet jij nou altijd weer iets erbij verzinnen? Aanvaardt gewoon het leven zoals het is! Kom, maak het je hier zo prettig mogelijk en vergeet nou gauw al die leven-na-de-geboorte onzin!’

Klaas had het al echt gezellig gemaakt. Alles goed ingericht. Ineens een hevige samentrekking van de baarmoeder en zijn hele hebben en houwen is één grote puinhoop en Klaas zelf vindt zich ook terug in een heel andere hoek. Mopperend (‘wat een ellende allemaal! Kan het nou niet eventjes leuk zijn hier? Negen maanden is al zo kort!’) probeert Klaas alles weer netjes op orde te brengen.

Aart had zich een tijdje rustig gehouden, maar nu hield hij het toch niet langer. ‘Klaas’, begint hij, ‘Nou moet je niet gelijk boos worden, maar ik wou graag nog iets zeggen. Ik geloof namelijk dat er een Moeder is en ik mag haar mijn Moeder noemen.’

‘Een moeder! Een moeder!’,
raast Klaas. ‘Hoe kom je nou weer op zo’n idioot idee? Een moeder! Jouw fantasie gaat echt helemaal met je op de loop hè? Een moeder! Nou, wijs mij die moeder van jou maar eens aan! Jij hebt zelf toch ook nog nooit een moeder of iets dergelijks gezien? Een moeder!

Waarom kan jij je nou niet gewoon aan de realiteit vasthouden? Nee, jij gelooft in een moeder die je niet eens kan zien! Het hele idee! Gewoon te bezopen voor woorden! Kom, pak je navelstreng en ga in dat hoekje drijven. Daar heb je jouw realiteit! Geloof me nou maar, er is geen moeder!’

Opnieuw een stevige samentrekking, nu heftiger dan de vorige. Alles wat Klaas net weer zo op orde had gebracht, was nu niet alleen helemaal in de war gegooid, het was zelfs helemaal verpulverd. Zodra Klaas een beetje bijgekomen is van de heftige duikeling die hij zelf had ondergaan, overziet hij de schade en begint te jammeren: ‘Nou, als dat waar is van jouw moedertje, dan is het wel een heks dat ze ons zoveel ellende bezorgt. En spreek me niet tegen. Als dit allemaal in het plan past om ons nog iets geweldigers te bezorgen, dan vind ik dat maar een plan van lik-me-vestje. Begrijp je nou niet dat er niet zoiets als een moedertje kan zijn, anders zou ze ons toch nooit zo’n pijn aandoen?’

Aart keek wat onzeker in de richting van Klaas. Ook Aart was behoorlijk door elkaar geschud. Ook Aart voelde de pijn. Ook Aart had geen prettige tijd doorgemaakt. Toch begon hij weer: ‘Klaas, alsjeblieft, luister zonder me gelijk weer te onderbreken. Ik geloof dat die telkens terugkerende samentrekkingen, die we nu te lijden hebben, en ook het feit dat de ruimte steeds kleiner voor ons wordt, betekent dat we naar een nieuwe situatie toegroeien, dat het ons voorbereid op het leven in een plek van licht, wat we binnenkort mogen ervaren.’

Wanhopig greep Klaas naar zijn hoofd: ‘O mensen, je bent echt helemaal doorgedraaid! Kijk nou om je heen. De wereld is gewoon duisternis! Duisternis! Snap je het niet? Wat voor idiote ideeën over licht knallen nou ineens uit je kop? Duisternis, dat is de wereld. Dat is de realiteit! Okay, het is vervelend, het is ellendig, het is verschrikkelijk beroerd al die samentrekkingen en dat steeds kleiner behuisd worden. Ja inderdaad, behoorlijk rot! Maar dat betekent nog niet dat het ergens toe dient! Je zult gewoon die ellende je leven lang moeten bestrijden! Dat is de realiteit! Grijp je streng beet en hou je kop!’

Weer een samentrekking en weer een samentrekking en weer een wee en weer een wee. Klaas stond net op het punt om dat verrotte denkbeeld van een moeder hartgrondig te verwensen toen hij ineens de vrije ruimte om zich heen voelde en het licht hem overspoelde. Hij kon alleen nog maar huilen en huilen. Moeder pakte hem op en ook Aart en bracht hen beiden aan haar warme borst.
2 Corinthe 4:17 De lichte last van de verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles ver te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid,

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende