U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Eerste Deel Geluksteksten Oude Testament

In onze vorige studie vonden we de Bijbelse basisbetekenis voor “gelukkig zijn” terug. In het Oude Testament is dat “rechtop/rechtuit geplaatst zijn”. In het Nieuwe Testament is dat “het voorspoedig zijn/het lukken van iets”.

We maken een start in het Oude Testament:
Vanwege de lengte heb ik de reeks Bijbelteksten over het “Gelukkig Zijn” in tweeën geknipt. Evenzogoed worden deze studies langer dan je gebruikelijk van me gewend bent. Deze derde studie loopt van Genesis t/m Psalmen en hier komen ze.

Genesis 30:13 Toen zei Lea: Wat een geluk! want de dochters zullen mij zeker gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser (Nederlands vertaald: “gelukkig” of “rechtop”).
Hier hebben we de oorsprong van de stam Aser. Deze stam zal in de eindtijd (Openbaring 7: 6) nog twaalfduizend getuigen de wereld overzenden. Hier hebben we “de recht plaatsing” door God van deze stam. Maar voor Lea zelf ging het erom dat ze voor de ogen van de dochters of de vrouwen “recht was gezet” tegenover Rachel.
Bij haar slavin Zilpa had Jacob hier twee zonen verwekt evenals bij de slavin Bilha van Rachel. Ze zagen het als stevige bovenmenselijke zusterworstelingen, waarbij Rachel het in vers 6 ervoer als een recht verschaffing door de Heer en Lea het hier als een “rechtzetting” door diezelfde Heer. De Heer was er ook in beide gevallen bij en verschafte inderdaad recht (Rachel) en zette ook inderdaad recht (Lea), ondanks dit hele van God onafhankelijke geworstel. God werkt er dwars doorheen in Zijn soevereiniteit en genade.

Deuteronomium 33:29 Jullie zijn gelukkig, Israël! wie is aan jullie gelijk? Jullie zijn een volk, verlost door Yahweh,
1 Koningen 10:8
Gelukkig zijn die stervelingen van jullie, gelukkig die knechten van jullie, die voortdurend voor jullie aangezicht staan, die jullie wijsheid horen!
1 Kronieken 4:16 de kinderen van Jehalelel
(looft God) waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel (God zet vast).
2 Kronieken 9:7 Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen.

Job 5:17
Gelukzalig is de mens, wie God straft; daarom verwerp de kastijding van de Almachtige niet.
Eigenlijk is deze uitspraak grappig als je “Gelukkig zijn” als een voldane emotie ziet. De mens die in die zin gelukkig is, zou je toch vanzelfsprekend een SM-gek noemen? Het recht gezet worden door een bestraffing is echter geheel en al in de lijn van de Bijbelse boodschap. Daar zit dan ineens niks vreemds meer aan.
Job 23:11 Aan Zijn gang (recht gaan) heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
Een emotie hierin plaatsen zou echt van de gekke zijn. Maar hier hebben we wel de bronbetekenis van wat “Gelukkig zijn” Bijbels gezien letterlijk betekent.

Job 29:11 Als een oor mij hoorde, zo
hield het mij gelukzalig;
Job 31:7 Zo mijn
gang (recht gaan) uit de weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
Opnieuw de bronbetekenis zonder enige mogelijkheid er een emotie in te lezen.
Psalmen 1:1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad van de goddelozen,
Psalmen 17:5 Houdende mijn
gangen (recht gaan) in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Psalmen 17:11 In onze
gang (recht gaan) hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde neer bukkend.
Tweemaal over het gaan in een rechte weg. Een feit. Geen emotie.
Psalmen 32:1 Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
Psalmen 32:2
Welgelukzalig is de mens, aan wie Yahweh de ongerechtigheid niet toerekent,
Psalmen 33:12
Welgelukzalig is het volk, welks God Yahweh is;
Psalmen 34:8 Smaakt en ziet, dat Yahweh goed is;
welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.

Psalmen 37:31 De wet van zijn God is in zijn hart; zijn
gangen (recht gaan) zullen niet slibberen.
Hier hebben we een gelovige, die recht gezet is door God zelf. Dat geeft vastigheid. Hij glijdt niet uit. Maar welke emotie hij/zij erbij heeft is niet terug te vinden in deze woorden, ondanks dat het hier om het bronwoord voor “gelukkig zijn” gaat.
Psalmen 40:2 Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen (recht gaan) vastgemaakt.
Doordat hier de voeten van de gelovige op de rots gesteld zijn, daardoor is hij recht gaan staan, de Bijbelse betekenis van “Gelukkig zijn”.

Psalmen 40:4 Welgelukzalig is de man, die Yahweh tot zijn vertrouwen stelt,
Psalmen 41:1-2
Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt ten opzichte van een ellendige; … Yahweh zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden.
Psalmen 44:18 Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze
gang (recht gaan) geweken van Uw pad.
Opnieuw dat recht geplaatst zijn.
Psalmen 65:4 Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, zodat hij woont in Uw voorhoven;
Psalmen 72:17 Alle heidenen zullen hem
welgelukzalig roemen.
Psalmen 73:2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn
treden (recht gaan) waren bijkans uitgeschoten.
Psalmen 84:4
Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U voortdurend,
Psalmen 84:5
Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in wiens hart de gebaande wegen zijn.
Psalmen 84:12 Yahweh van de legerscharen!
welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.
Psalmen 89:15
Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent; o Yahweh!.
Psalmen 94:12
Welgelukzalig is de man, o Yahweh! die U tuchtigt, en die U onderwijst vanuit Uw wet,
Psalmen 106:3
Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.
Psalmen 112:1 W
elgelukzalig is de man, die Yahweh vreest;
Psalmen 119:1
Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet van Yahweh gaan.
Psalmen 119:2
Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
Psalmen 127:5
Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Psalmen 128:1
Welgelukzalig is een ieder, die Yahweh vreest, die in Zijn wegen wandelt.
Psalmen 128:2 Jullie zullen eten de arbeid van jullie handen;
welgelukzalig zullen jullie zijn, en het zal je welgaan.
Psalmen 137:8 O dochter van Babel! die verwoest zult worden,
welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die je aan ons misdaan hebt.
Psalmen 137:9
Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.
Psalmen 144:15
Welgelukzalig is het volk, die het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God Yahweh is.
Psalmen 146:5
Welgelukzalig is hij, die de God van Jakob tot zijn Hulp heeft,

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende