U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

De Erfenis Vastgelegd In Het Trouwboekje

God gebruikt deze brief aan de Hebreeën als een oproep aan Zijn volk Israel om naar de overkant te komen, naar de beloofde Sabbatsrust. Inmiddels is God na Handelingen begonnen aan Zijn bovenhemels plan met de Gemeente, het Lichaam van Christus. Dat aardse erfdeel voor dit aardse volk is daarmee tijdelijk uitgesteld. Dat dit aardse erfdeel absoluut voor de Hebreeën, oftewel het hele volk Israel, bestemd is en zij het dus ook zullen ontvangen, blijkt overduidelijk.
Hebreeën 1: 14 Zijn zij [de engelen] niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen [de Hebreeën], die het heil zullen beërven?

Het wezenlijke onderdeel van deze brief aan de Hebreeën, wat steeds weer terugkomt, is de erfenis, het erfdeel, de erfgenaam, het erven. Het gaat over een erfdeel, dat bestemd is voor het aardse volk Israel. Het erfdeel ligt vast in de Zoon. Hij is de erfgenaam van alle dingen.
Hebreeën 1: 2 Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de aionen gemaakt heeft;

Je hebt twee groepen Griekse woorden voor het ervan. Dat is als eerste ‘klero’ of ‘kleros’. Die woorden vind je niet terug in deze Hebreeënbrief. Dan heb je nog een groep van drie Griekse woorden, die allen dezelfde stam hebben, maar met een toevoegsel ‘nomos’ of ‘nomia’. Die toevoeging betekent ‘wet’. Dit past Israel als een fluwelen handschoen. Het is de wet dat ze als trouwboekje bij hun huwelijkscontract van God ontvingen. Wij kennen dat contract als de uitdrukking ‘verbond’. Een onderwerp dat ook weer in deze Hebreeënbrief uitvoerig aan de orde komt.

Het erfrecht, het erven of het erfdeel staat dus in deze brief aan de Hebreeën, de mensen van de overkant, dus doorlopend in relatie tot de wet. Dit is een noemer die in de evangelische wereld een slechte naam heeft gekregen. Nou spreekt het Nieuwe Testament inderdaad slecht over de dienst van de letter.
2 Corinthe 3: 7 De bediening van de dood, met letters op stenen gegrift,
Inderdaad spreekt het Nieuwe Testament negatief over de werken van de wet.
Romeinen 3:20 Uit werken der wet zal geen vlees voor God gerechtvaardigd worden,
Galaten 3:10 Allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek;

Activiteit en prestatie rondom de wet is zodanig groot en negatief in de Bijbel zelf dat inmiddels een groot deel van de evangelische wereld ervan overtuigd is dat de wet negatief is. En dan toch spreken over diezelfde wet als het trouwboekje van God aan Zijn aardse volk Israel? Ja, dat gaat velen echt te ver. Ze kennen het getuigenis van de Bijbel over de wet niet.
Romeinen 7:12 De wet is heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
Romeinen 7:14 Wij weten dat de wet geestelijk is;

De Heer zei tegen zijn luisteraars dat de wet van Hem sprak en dat dus de gedachte terecht is dat de wet leven geeft. De twaalf stammen hadden het trouwboekje echter niet aangenomen, ze hadden een te doen lijstje aangepakt en waren dat gaan afwerken om zich zo te rechtvaardigen. Daar heb je die werken van de wet. Wat zegt Paulus daarover?
Romeinen 9: 31-32 Israel, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken.

Een heel kenmerkende uitspraak hier: 'Israel is aan de wet niet toegekomen!'. Zou je zo maar overslaan, toch? Druk voor de wet, niet aan de wet toegekomen. Niet aan Gods trouwboekje toegekomen, niet aan Zijn beloften, niet aan Zijn erfenis. God had Israel getrouwd met de wet. Nu blijkt dat het erven, de erfenis, het erfdeel, alle woorden daaromheen, ze allemaal in relatie staan tot ‘nomos’ of ‘nomia’: De wet. God heeft een erfenis laten vastleggen, nou juist in dat trouwboekje.

Het is door het innemen van de erfenis waardoor Abraham Hebreeër genoemd werd. Het is door het innemen van de erfenis waardoor Israel de Hebreeën genoemd werd. Het is dit onderwerp ‘Het innemen van de erfenis’ dat opnieuw in deze brief aan de Hebreeën centraal staat.

Hebreeën 1: 2 [De Zoon] die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de aionen geschapen heeft.
De erfenis van het volk Israel ligt vast in de Zoon. Juist de eerstgeboren Zoon is de erfgenaam van alle dingen. Dus is ook het allereerste dat in het eerste vers naar voren wordt gebracht het Zoonschap van Christus.
Hebreeën 1: 1-2 Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst van de dagen tot ons [De Hebreeën] gesproken in Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de aionen geschapen heeft.

Aan de erfenis van de Zoon ontbreekt niets. Zonder enige reserve wordt hier aangegeven dat alle dingen tot de erfenis van de Zoon behoren. Hier staat Christus, de Zoon, in relatie tot de Hebreeën als de erfgenaam van alles.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende