U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

De Oproep: Kom Naar De Overkant

Israel is opnieuw in de verstrooiing terecht gekomen en opnieuw is de boodschap van God voor hen in deze brief aan de Hebreeën dat ze door het geloof in de rust kunnen binnengaan. Maar nu, in eigen wil, in ongeloof, bevinden ze zich nog aan de overkant. Abram moest de Eufraat over. Daar aangekomen was hij Hebreeër, oftewel van de overkant. Israel moest de Jordaan over. Daar aangekomen waren zij de Hebreeën, oftewel van de overkant.

Momenteel is de situatie zo dat een klein deel van de twee stammen wel in het land is, maar de overgrote meerderheid van de gehele twaalf stammen zich erbuiten bevindt. Maar beiden staan ze aan de verkeerde kant van geloof, ook die in het land zijn.
Hebreeën 3:18 Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot Zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren?
Hebreeën 4:1 Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van jullie, terwijl nog een belofte van
tot Zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven.
Hebreeën 4:10 Want wie
tot Zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne.
Israel zal tot Zijn rust ingaan. Daarom heet het volk hier ‘De Hebreeën’. Ze zullen eenmaal hun erfenis in bezit nemen. Het wezen van de brief is dus gelijk al vanaf het allereerste woord van de brief neergezet.

De boodschap, die feitelijk al in deze aanhef van de brief aanwezig is, wordt in deze brief ook helemaal uitgewerkt.
Hebreeën 3: 7-11 Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Vandaag, als jullie Zijn stem horen, verhardt jullie harten niet, zoals bij de verbittering, in de dag van de verzoeking in de woestijn, waar jullie vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, hoewel zij Mijn werken zagen, veertig jaren lang; daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend, zodat Ik gezworen heb in Mijn toorn: Nooit zullen zij tot Mijn rust ingaan!
Het gaat hier over het volk Israel dat veertig jaren in de woestijn had gezworven in ongeloof. Daardoor kon dat volk Kanaän niet binnengaan. Maar nou blijkt dat het volk wel in het land woont, maar nog steeds geen rust binnen was gegaan.

Vanaf het jaar 30 tot en met het jaar 70 (veertig jaren) vertoefde het volk ook hier weer geestelijk in een woestijn. Ze hoorden die veertig jaar de boodschap van het Koninkrijk, maar ook hier gold dat ze God op de proef stelden. De beloofde rust van het Koninkrijk ging daardoor ook hen voorbij.

Even voor alle duidelijkheid de boodschap van het Koninkrijk op de rit. Johannes de doper begon met de verkondiging van de boodschap van het Koninkrijk.
Mattheus 3: 1-2 In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, en hij zei: Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen.

Jezus en Zijn discipelen zetten dat voort.
Lukas 8:1 Jezus trok van stad tot stad en van dorp tot dorp, terwijl Hij het evangelie van het Koninkrijk van God verkondigde, en de twaalven met Hem,

En ook in de Handelingentijd werd de boodschap van het Koninkrijk verkondigd.
Handelingen 19:8 Paulus ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk van God.
Handelingen 28:31 Predikende het Koninkrijk van God,
Veertig jaar weerklonk de boodschap van het Koninkrijk. De boodschap werd echter voortdurend beantwoord met ongeloof. Het was als het ware de tweede rondgang van het joodse volk in de woestijn in ongeloof.

En dan, na 40 jaar, komt het jaar 70. De verwoesting van de tempel. de verwoesting van Jeruzalem. Let wel, dit is niet zoals de Kerk het leert: Het definitief eind voor het Joodse volk. Het is Gods overvloeiende rijkdom van genade dat er wel degelijk nog een rust komt voor het aardse volk van God.
Hebreeën 4:8-9 Als Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij niet meer over een andere, latere dag gesproken hebben. Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God.
Die sabbatsrust heeft alles te maken met de erfenis van het volk. De Zoon is gesteld tot erfgenaam. Het volk, de Hebreeën, het zal erven in de Zoon. Zodra zij die sabbatsrust ingaan, zijn ze letterlijk mensen van de overkant, oftewel Hebreeën.

De situatie was echter redelijk gelijk aan de periode dat het volk 40 jaar in ongeloof in de woestijn heeft rondgedoold. Dat noemt de schrijver de tijd van de verbittering.
Hebreeën 3:8 Verhardt je harten niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn,
Daarom is deze brief ook eigenlijk een woord van aanmoediging aan het volk.
Hebreeën 13:22 Ik vermaan jullie [ik moedig jullie aan], broeders, houdt mij dit woord van vermaning [aanmoediging] ten goede,
De hele Hebreeënbrief is dus een oproep aan de broeders naar het vlees, het volk Israel, om naar de overkant te komen in de Sabbatsrust.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende