U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Hij Komt Van De Overkant

Hebreeën 1: 1-2 Aan Hebreeën. Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst van de dagen tot ons gesproken in de Zoon, Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de aionen gemaakt heeft.
Hebreeën 3:1 Daarom, heilige broeders, deelgenoten van de hemelse roeping,
Hebreeën 12:22 Jullie zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem,

De Zoon is de erfgenaam. De Hebreeën zijn degenen die hier als ‘ons’ worden aangesproken. ‘In het laatst van de dagen tot ons gesproken in Zoon’. God heeft een erfenis voor deze Hebreeën en dat ligt vast in de Zoon.

Gelijk gaat de schrijver van start met drie opvallende bewijzen dat hij tot niemand anders spreekt dan tot deze Hebreeën, oftewel Gods eigen volk Israel.
1. De vaderen
2. de profeten
3. tot ons

Bij de vaderen kan het niet anders zijn dan dat je uitkomt bij Abraham, Izaäk en Jakob. Het zijn de vaderen van het volk Israel. Dan heeft de schrijver het erover dat God had gesproken in de profeten. Dit zijn de profeten van het Oude Testament, oftewel de profeten van God voor Zijn volk Israel.

In het laatst van de dagen heeft God dan gesproken in Zoon. Maar dan schrijft de auteur heel nadrukkelijk dat God ‘tot ons’ gesproken heeft. De schrijver ziet zichzelf dus absoluut als één van degenen die hier aangesproken wordt in Zoon. De heel simpele vraag is dan tot wie Christus gesproken heeft? Bekijk het maar eventjes in de vier Evangeliën. Dat blijkt het volk Israel te zijn. Laten dat nou juist die Hebreeën zijn! Dat zijn degenen aan wie deze brief geschreven is. Dat zijn nou juist degenen voor wie God in Zijn Zoon die erfenis heeft.

De brief begint in de grondtekst met: Aan Hebreeën. Waarom?
De schrijver had ook kunnen schrijven: Aan Israel. Of: Aan de twaalf stammen van het huis Israëls. Of: Aan de Joden. Waarom nu specifiek deze naam? Daarvoor gaan we naar de eerste keer dat dit woord in de Bijbel voorkomt.
Genesis 14: 13 Toen kwam een vluchteling en deelde dit mee aan de Hebreeër Abram; hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre, de broeder van Eskol en Aner, die Abrams bondgenoten waren.

Je ziet hier dat Abram toen in Kanaän woonde. Nou betekende het woord ‘Hebreeër’ dat hij van de overkant kwam: ‘Iemand van de overzijde’. Hoe kwamen ze er nou zo ineens bij om Abram zo’n bijnaam te geven? ‘Kijk, hij komt van de overkant’! Dat heeft alles met de roeping van Abram te maken.
Genesis 12: 1-3 Yahweh zei tegen Abram: Ga uit je land en uit je familie en uit het huis van je vader naar het land, dat Ik jou wijzen zal; Ik zal je tot een groot volk maken, en je zegenen, en je naam groot maken, en je zal tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, en wie jou vervloekt zal Ik vervloeken, en met jou zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
God belooft hier aan Abraham gelijk de erfenis. Zijn bijnaam ‘de Hebreeër’ spreekt daar ook van. In die erfenis blijft hij die man die van de overzijde kwam.

Hier in Genesis 12 lijkt het alsof Abram pas de roeping kreeg in Haran. Maar dankzij de toespraak van Stephanus, die hij hield voor de hogepriester en de Joodse godsdienstige raad, weten we dat hij al veel eerder door God geroepen was om naar de overzijde (Hebreeën) te komen.
Handelingen 7: 2-4 Stephanus zei: Jullie, mannen broeders en vaders, hoor me aan. De God van de heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, en Hij [God] zei tegen hem: Verlaat je land en je bloedverwanten en kom hierheen naar het land, dat Ik je wijzen zal [Oftewel: Kom naar de overzijde]. Toen vertrok hij uit het land van de Chaldeeen en vestigde zich in Haran. [Hoe dat gegaan is lees je in Genesis 11] En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar jullie nu wonen;

Wij hebben de neiging om nu gelijk bovenop de missers van Abram te springen. In plaats van namelijk te breken met zijn familie was het zelfs juist Vader Terah die het voortouw nam, Abram sukkelde met hem mee en zo waren ze een heel eind van de route afgeweken tot bij Haran en daar bleven ze nog steken ook.
Genesis 11:31 Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram; en hij deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen te Haran en bleven daar.

Haran was niet het beloofde land van Abrams roeping. Het was een stevig eind daar vandaan. Je zit dan ergens in het huidige Turkije. Dat was niet de erfenis. Daar kon hij niet zeggen dat hij van de overkant kwam. Was God ontstemd? Was er nu woede bij God over de ongehoorzaamheid van Abram? Nee, God roept opnieuw.
Genesis 12: 1 Yahweh zei tegen Abram: Ga uit je land en uit je familie en uit het huis van je vader naar het land, dat Ik jou wijzen zal;

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende