U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Colosse 1: 1

Colosse 1: 1 Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, en Timotheüs, de broeder,
A/ De afzender van de brief: Paulus en Timotheus
B/ Paulus omschrijving van zichzelf: Apostel van Christus Jezus
C/ Paulus aanwijzing wie hem aangesteld heeft: door de wil van God
D/ Paulus omschrijving van Timotheus: de broeder

A/ Colosse 1: 1 Paulus, …., en Timotheüs, de broeder,
Beiden, zowel Paulus als Timotheüs, de broeder, worden hier als afzender genoemd. Hoogst waarschijnlijk was Timotheüs degene die de brief op papier zette, als secretaris zou je kunnen zeggen. Algemeen wordt aangenomen dat Paulus slechte ogen had, waardoor hij niet zijn eigen brieven kon schrijven. Hiervoor pleit ook de laatste tekst van deze brief;
Colosse 4: 18 de groet met de hand van mij.
De grote letters die Paulus gebruikte waren zijn handtekening.
Nou juist deze Paulus, die toen God hem riep zo zwak was geworden dat hij niet eens meer eigenhandig zo´n brief kon schrijven, juist deze Paulus gebruikt God om Zijn boodschap van genade via brieven wereldkundig te maken.

Saulus werd Paulus. Saulus hoefde maar als Paulus ergens binnen te stappen of de boodschap van genade verspreidde zich al zonder dat hij zijn mond had open gedaan.
Paulus betekent “Kleintje”. Dat is wel even wat anders dan de associatie met die indrukwekkende eerste koning van Israël, Koning Saul, die overal bovenuit stak. God werkt door dit kleintje. Groots laat God Zijn overvloeiende rijkdommen van genade stromen door deze kleine Paulus. God gebruikt nou juist het zwakke. Wat een geweldige verandering van indrukwekkende Saulus, die godsdienstig iets geweldigs betekende, naar dat kleintje dat enkel nog maar op genade kon terugvallen.

B/ Colosse 1: 1 Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God,
In heleboel andere studies leg ik al uit waarom er tegenwoordig geen sprake van apostelen kan zijn. Dat herhaal ik niet nog eens een keer. Dat kan iedereen terugvinden. In deze serie wil ik nader ingaan op de werking van Gods genade, zoals die altijd gold, geldt en zal blijven gelden. Paulus apostelschap is zo´n rijp voorbeeld van overstromende genade.

Hoe noemt Paulus zichzelf? Hij noemt zich apostel van Christus Jezus. Hij zag zichzelf dus puur als apostel van de Heer. Hij was dus absoluut niet een apostel van een bepaalde groep. Zo kijken we er vaak tegenaan. Iemand zegt: “Ik ben priester!” Gelijk komt dan de vraag: “Van welke kerk? De katholieke of de anglicaanse of nog ergens anders van.” Nee, Paulus was apostel van Christus Jezus.
Iemand zegt: “Ik ben dominee”, en gelijk kan je de vraag verwachten: “Van welke kerk? De gereformeerde, de PKN, de Baptisten of van nog iets anders.” Nee, Paulus was apostel van Christus Jezus.
Iemand zegt: Ik ben voorganger of oudste.” En gelijk komt weer die vraag: “Van welke gemeente? Van de evangelische, de charismatische, de advents- of nog iets anders in die slinger.” Nee, Paulus was apostel van Christus Jezus.

Hebben jullie enig idee waar je aan moet denken bij een apostel? Het woord op zich heeft twee stukjes. “Apo” & “Stello”. Het is dus letterlijk een “Vanaf” “Plaatsen”. Dat verheldert een stuk. Paulus was dus niet iemand, die vanuit een groep, kerk of kring ergens geplaatst was. Paulus geeft hier nadrukkelijk aan dat hij vanaf Christus Jezus ergens geplaatst werd. Hij was apostel van Christus Jezus.

C/ Colosse 1: 1 Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God,
Paulus schrijft er dan achteraan dat dit plaatsen vanaf Christus Jezus helemaal dwars door de wil van God heengaat. God heeft een plan met heel Zijn schepping. Zijn wil betreft alles en iedereen, maar tegelijkertijd heeft God ook ieder individueel op het oog. Wanneer Christus Jezus dan ook iemand vanuit Hem plaatst, dan is dat plaatsen precies de wil van God. Het loopt dwars door de wil van God heen. God werkte zo in het zenden van Zijn apostelen en profeten. We zouden ons hierachter kunnen verschuilen omdat er tegenwoordig geen apostelen en profeten meer bestaan, behalve dan dat fundament in de Schrift. Het is echter zo dat met elke gave, die God werkt in de gemeente, het lichaam van Christus, het ook nog altijd zo is dat Christus Degene is die vanaf plaatst, dat dan nog altijd dwars door de wil van God heengaat.

Voor alle taken binnen het lichaam van Christus is het God zelf, die een ieder zoekt en bekwaamt in Zijn Zoon, Christus Jezus. Nee, vanuit onszelf zijn we volkomen onbekwaam.
2 Corinthiërs 2:16 Wie is tot deze dingen bekwaam?
2 Corinthiërs 3:5 Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets te denken, alsof het uit onszelf kwam,
Onze bekwaamheid is puur vanuit God zelf, die het Leven van Zijn Zoon in ons uitwerkt.
2 Corinthiërs 3:5 Onze bekwaamheid is uit God,
2 Corinthiërs 3:6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft,
Paulus ergens geplaatst zijn, of ergens naartoe gezonden zijn, komt vanaf Christus Jezus en loopt dwars door de wil van God. Alles in zijn dienst getuigt van de werking van Gods overvloeiende rijkdommen van genade.

D/ Colosse 1: 1 Timotheüs, de broeder,
Paulus wist wie hem stuurde. Hij wist wie hem ergens plaatste. Hij wist dat alles wat de Heer in hem werkte dwars door de wil van God heenging. Hij kende de onvoorwaardelijke genade, die God door hem heen werkte. Dan is er geen prestatiedrang of iets dergelijks dat zijn dienst zou kenmerken. Paulus voelde zich door een medegelovige niet beconcurreerd. Nee, hij herkende de ander als broeder.

We hebben als gezin door mijn schuld in een sekte gezeten. Mijn wettische periode. Iedereen werd broeder en zuster genoemd. Nu we eruit zijn en terugkijken naar die periode begrijp ik zo goed dat een zuster haar gal spuugde over al dat gebroeder en gezuster. “Broeder” en “Zuster” waren voor haar verwoordingen van tralies, die je in het gareel hielden. Wat een verschrikkelijke verkrachting van zo´n mooie uitdrukking! Nee, die zuster was dat niet aan te rekenen. Eerder was het mij aan te rekenen dat ik dit in zo´n groep niet aanvoelde of doorzag. Dat is nou verblinding door wetticisme.

Het Griekse woord “adelphos” voor “Broeder” komt van “delphos”, wat wijst op de moederschoot of de baarmoeder. Die verbondenheid hebben we. Daar komen we vandaan. Iets van die onderlinge diepe verbondenheid herken ik in Paulus omschrijving van zijn broeder Timotheus.
Filippi 2: 20 Ik (Paulus) heb niemand die, zo op dezelfde lijn met me zit en die zo hartelijk voor jullie zorgt;

Wat is het verrukkelijk als je mensen zo persoonlijk kent, die ook vanuit het genot van die overstromende rijkdommen van genade leven, waar hun dienst ook geen publicatie is van eigen prestaties voor de Heer, maar waar de Heer zelf Zijn gang kan gaan. Dat zijn mensen, waar die diepe verbondenheid een vrij automatisch gebeuren is omdat je blijkbaar uit dezelfde bron put. Die verbondenheid wordt hier dus eventjes in zo´n heel klein woordje als “Broeder” samengebald. Prachtig!

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina // Volgende