U bevindt zich hier: Artikelen Hein de Haan 2

Wie oordeelt er?

We hebben nu tien studie-hoofdstukken helemaal gevuld met het concrete onderwerp van 1 Corinthe 5: Feest vanwege ons ongezuurd zijn dankzij het feit dat Christus zich heeft laten afslachten door de mensheid en daarop heeft geantwoord met vergeving en verzoening.

Er zullen vast wel zijn, die het helemaal niet eens zijn met deze conclusie en die wijzen op de kerkelijke tucht, die volgens hen het centrale thema van dit hoofdstuk is. Daarom gaan we nu ook zeker verder in op de teksten, waardoor zij tot deze gedachtegang komen. Hier komen ze:

1 Corinthe 5: 2 Jullie zijn opgeblazen, en hebben niet veeleer getreurd opdat hij die deze daad begaan heeft uit jullie midden werd weggedaan (Letterlijk: Opgetild mocht worden)?
1 Corinthe 5: 3 Want ik, naar het lichaam afwezig, maar naar de geest aanwezig, heb reeds alsof ik aanwezig was, geoordeeld hem die dit zo bedreven heeft
(Letterlijk: Naar beneden gewerkt heeft),
1 Corinthe 5: 4-5 in de naam van onze Heer Jezus Christus, als jullie en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus Christus, zo iemand aan de satan over te geven tot in het totale verderf van het vlees, dat de geest gered mag zijn in de dag van de Heer Jezus.
1 Corinthe 5: 11 Ik heb jullie nu geschreven, dat, als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover, jullie met hem geen omgang moeten hebben
(Letterlijk: Er niet vermengd wordt); dat jullie met zo iemand zelfs niet moeten eten (Letterlijk: Er niet samen gegeten wordt).
1 Corinthe 5: 12 Want wat heb ik ook hen die buiten zijn te oordelen? Oordelen jullie niet hen die binnen zijn?

Ik ga gewoon voorbij aan de gedachte dat ons in Corinthe een kerkelijke instelling aangereikt zou worden. Dat past niet in mijn denken omdat in mijn inzicht hier geen sprake is van een kerk, zoals daar tegenwoordig over gedacht wordt. Daar heb ik al meerdere artikelen over geschreven, vandaar dat ik dat laat voor wat het is. Het lijkt me voor de vraag over tucht interessanter om direct op de onderwerpen in deze Bijbelteksten zelf in te gaan.

De basis waar de grootste gemene deler van de christenheid tucht op baseert is oordeel. De vraag is daarbij wat wijzelf als oordeel zien en wat de Schrift als oordeel tekent. Ik heb menige broedervergadering meegemaakt, die tot ver in de vroege uurtjes doorging, waar het oordelen het centrale vergaderonderwerp was. Niet om het oordelen te bespreken of te overdenken, maar om ons strenge oordeel over anderen uit te spreken. Je mag best weten dat ik een heel wettische periode van tientallen jaren in mijn geloofsleven gehad heb, waar ook dit soort kerkelijke vergaderingen in thuis hoorden.

Waar werd over geoordeeld? Een bepaalde broeder had afwijkende inzichten in de Schrift. Het werd als godslasterlijk ervaren en hij was elders in het land uit de kerkelijke gemeenschap gezet. Zijn vrouw bleef echter met hem omgaan en samen eten. “Dat kon niet en daar moest in dat huwelijk ingegrepen worden!”, was het oordeel. Het was niet een broeder die veel bij ons plaatselijk genootschap over de vloer kwam. Eigenlijk nooit. Het was totaal ergens anders in Nederland. Maar wij moesten ons met de strenge veroordeling over het handelen van die vrouw één maken en dat viel niet iedereen even makkelijk. Daarom duurden die vergaderingen tot vroeg in de ochtend. Uiteindelijk was ook ons plaatselijk oordeel eensluidend met de rest van het land. Eigenlijk was ik het er niet mee eens, maar ze kregen me wel stil en dat stilzwijgen was instemmen. Dus had men een unaniem oordeel en daarmee had God dus gesproken. Ja, ik zat in een sekte.

Oordelen. In de meeste gevallen komen oordelen bij ons naar boven als iemand anders denkbeelden of inzichten koestert, die niet overeen komen met de onze. Dan moet die ander zijn denken aanpassen of hij of zij wordt gewipt. Vaak kijken we daarna die ander bij één of andere toevallige ontmoeting ook niet meer aan. We mogen toch geen omgang hebben? Dan wordt er ook nog wel eens de gedachte bij gekoesterd dat omgang besmettingsgevaar oplevert. Denk aan de melaatse huizen en mensen in het oude testament. Geen omgang! De typologische uitleg van die plaatjes was uitermate populair.

We oordelen ook heel makkelijk over mensen die dingen doen, die wij echt afwijzen. Een klein onderdeel daarvan kom je bijvoorbeeld al tegen in vers 11 van ons hoofdstuk: Een hoereerder, een hebzuchtige, een afgodendienaar, een lasteraar, een dronkaard of een rover. Vanzelfsprekend is het pakket slechte handelingen dat wij bij anderen veroordelen nog veel uitgebreider. Van de week zag ik nog een hele discussie hierover op Facebook en de lijst van mensen, waar op zeer vrome wijze op neergekeken werd was echt onuitputtelijk. Wat valt in dergelijke besprekingen altijd het meeste op? De “Wij” groep, die zo grandioos heilig en rein is tegenover de “Zij” groep, die geoordeeld dient te worden.

Hoe je het ook wendt of keert, telkens als ons menselijk oordelen ter sprake komt, dan is dat een vanaf een hoge ivoren toren naar beneden kijken naar die slechteriken, die er toch echt uit geknikkerd moeten worden. Als wij dan als mensen ook nog over God nadenken, dan plakken we vrijwel zonder er verder over na te denken ons idee van oordelen ook nog eens op God. Maar is Gods oordeel er inderdaad eentje van hooghartige afwijzing en verwijdering? Of is Gods oordeel anders? Daarom is het goed om het oordelen in de verzen van dit hoofdstuk eens onder de loep te nemen.

1 Corinthe 5: 3 Ik heb reeds alsof ik aanwezig was, hem GEOORDEELD,
Hier hebben we Strongnummer 2919, het Griekse woordje “krino” in de vervoeging “kekrina”.
1 Corinthe 5: 12 Wat heb ik ook hen die buiten zijn te
OORDELEN? OORDELEN jullie niet hen die binnen zijn?
Ook hier hetzelfde Strongnummer, nu in de vervoegingen “krinein” en “krinete”.

Wat alvast een heel stuk minder aan oordelen kan opleveren lezen we hier aan het begin van vers 12. Iemand, die nog geen enkele weet heeft van wie God is en hoe Hij zich in Zijn Zoon aan ons geopenbaard heeft (die dus buiten is), die valt helemaal buiten ons oordeel. We hebben daar helemaal niks mee te maken, wat het oordelen betreft. Maar ik ben me ervan bewust dat dit op zich nog niks zegt over wat oordelen nou feitelijk is. Daar wil ik toch nog wel graag verder naar op zoek.

Het handige van het geheel is dat Paulus hier in 1 Corinthe 5 in alle rust over het oordelen kon schrijven omdat hij in het hieraan voorafgaande hoofdstuk heel uitgebreid geschreven had over het oordelen en het uiteindelijk oordeel van God zelf. Voor de goede lezer was het daardoor al gelijk duidelijk in welk licht hij of zij deze uitspraken van Paulus over het oordeel diende te lezen. De inhoud van oordelen was namelijk al reeds helemaal ingekleurd.

Ik citeer 1 Corinthe 4 nogal eens en dan blijkt telkens dat het één van de meest onbekende Bijbelse uitspraken van Paulus is. Als ik het zo uit de losse pols citeer, dan heeft menigeen zelfs nogal eens de neiging om me te corrigeren dat je zo niet met godsdienstige zaken kan omgaan. Als ik het hen dan zelf laat lezen, dan zie je de verbazing. Okay, daar komt 1 Corinthe 4:

1 Corinthe 4: 3 Het betekent voor mij echt helemaal niks dat ik door jullie of door een dag van de mensen beoordeeld word; mezelf beoordeel ik zelfs niet.
1 Corinthe 4: 4 Ik ben mij van niets bewust, maar daarin ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij die mij beoordeelt, is de Heer.
1 Corinthe 4: 5 Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht zal brengen en de overleggingen van de harten openbaar maken zal; en dan zal iedereen Zijn lof
(Letterlijk: Applaus) ontvangen van God.
1 Corinthe 4: 6 Dit nu, broeders, heb ik om jullie als plaatje tot in mijzelf en Apollos toegepast, opdat jullie in ons zouden leren niet te denken boven wat er geschreven staat; opdat niemand zich opblaast vóór de één en tegen de ander.
1 Corinthe 4: 7 Want wie onderscheidt
(Letterlijk: door-oordeelt) jullie? En wat hebben jullie, dat jullie niet ontvangen hebben?

Ja, gek hoofdstuk van Paulus is dit hè? Als je dit zo heel rustig doorleest met dan ook nog eens wat er echt letterlijk staat, dan verandert opeens ons hele denken over oordelen. Dan vraag ik me inderdaad af zoals Paulus dat doet in dit zevende vers: “Wat onderscheidt mij nou echt werkelijk van jou?” Dus ook als ik dan naast die persoon met die (volgens mij) gekke denkbeelden sta, dan kom ik op hetzelfde eindpunt uit: “Wat onderscheidt mij nou echt werkelijk van jou?” Ja, als ik naast die gescheiden en opnieuw getrouwde zuster sta, ook dan verschijnt deze slotsom: “Wat onderscheidt mij nou echt werkelijk van jou?” Zo kan je doorgaan natuurlijk. En dan kan er een stemmetje in je hoofd protesteren: “Ja maar die moordenaar dan!!!! Ja maar die verkrachter dan!!!! Oftewel wat dat stemmetje echt schreeuwt: “Ja maar ik ben toch zeker een veel en veel beter gelovige dan die ander!!!” Dan zegt Paulus hier: “Wie onderscheidt jullie?”

We zetten weer eens eventjes, net als bij hoofdstuk 5, alle oordeelsteksten onder elkaar met onze verwijzing naar de Griekse grondtekst erbij.

1 Corinthe 4: 3a Ik wordt door jullie of door een dag van de mensen BEOORDEELD; mezelf BEOORDEEL ik zelfs niet.
Hier hebben we tot twee keer toe als Strongnummer 350 het Griekse werkwoord “anakrino”, waar we “krino” van Strongnummer 2919 in herkennen samengevoegd met “ana”, oftewel: “naar binnen toe”. Letterlijk: “naar binnen toe oordelen”.
1 Corinthe 4: 4 Ik ben mij van niets bewust, maar daarin ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij die mij
BEOORDEELT, is de Heer.
Opnieuw is hier sprake van Strongnummer 350 het Griekse werkwoord “anakrino”.
1 Corinthe 4: 5 OORDEELT daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt,
Hier komen we opnieuw het werkwoord “krino” van Strongnummer 2919 tegen.
1 Corinthe 4: 7 Wie ONDERSCHEIDT (Letterlijk: DOOR-OORDEELT) jullie?
Dit is misschien nog wel de grootste verrassing in dit hoofdstuk. Ook hier gaat het over het oordelen. Ook hier is namelijk weer sprake van zo´n samenvoeging. We hebben hier Strongnummer 1252 met het Griekse werkwoord “diakrino”. Het tweede deel is ons inmiddels bekend als Strongnummer 2919, maar daarvoor staat dan “dia”, dat betekent: “dwars door”. Dus weer een oordeel, dwars door iemand heen.

Het wordt nu wel eens tijd om naar de praktische inhoud van deze duidelijke woorden van de apostel Paulus te gaan kijken.
1 Corinthe 4: 3 Het betekent voor mij echt helemaal niks dat ik door jullie of door een dag van de mensen beoordeeld word; mezelf beoordeel ik zelfs niet.

Mochten we denken dat wij heel sterk waren in het doorzagen van andere mensen, nou die Corinthiërs konden het echt een heel stuk beter. Zij oordeelden naar rechts, naar links, naar voren en naar achteren, naar onder en naar boven en zij hadden hun oordeel over Paulus en Apollos al helemaal klaar liggen. Vanuit hun almachtig hoge toren lieten ze hun oordeel zo op Paulus en Apollos neer denderen. Het oordeel valt op Paulus jasje, hij schudt het even van zich af en laat het zo van zijn kouwe kleren afglijden: “Het betekent voor mij echt helemaal niks dat ik door jullie of door een dag van de mensen beoordeeld word;”

Ben je onder de indruk van die oordelen over jou van al die mensen om je heen? Ben je misschien al apart geroepen om je aan te passen aan de regels, die gesteld zijn en die aangeven hoe of wat je geloven moet? En? Pas jij je aan? En? Pas jij je weer aan? En? Blijf jij je maar steeds aanpassen en nog blijven ze doorgaan met oordelen? Echt, Bijbels gezien, het betekent echt helemaal niks! Er is alleen maar sprake van een menselijk oordeel.

1 Corinthe 4: 4 Ik ben mij van niets bewust, maar daarin ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij die mij beoordeelt, is de Heer.
Paulus wist dat zijn hele dienst iets was dat God zelf vanuit Zijn overvloeiende rijkdom van genade in hem uitwerkte, maar ja, dat zegt eigenlijk niks natuurlijk. Ik kan heel iets anders doen en ook overtuigd zijn. Leuk voor mij, maar het zegt niks. Nee, God oordeelt: “Hij die mij beoordeelt, is de Heer.”

God oordeelt! Jazeker, God oordeelt! Heel veel mensen die de boodschap van overvloeiende rijkdommen van genade verkondigd horen worden, die plaatsen dit gegeven van een oordelende God tegenover de verkondiging van Gods genade. “Ja”, hoor je dan, “maar God oordeelt ook!!!!!” “Jazeker”, mag ik dan stralend zeggen, “Prijst de Heer!” en ze staan me vanwege zo´n oprisping verdwaasd aan te kijken.

1 Corinthe 4: 4-5 Hij die mij beoordeelt, is de Heer. Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt,
God oordeelt en dat kunnen we dus rustig in Zijn handen laten. Trouwens, wat voor verwachting heb je hierbij dat er een tijd komt dat de Heer gaat oordelen? Ben je al zo plat gebombardeerd met het aftekenen van een Boeman, die men god noemt, dat je trillend over dit verschrikkelijke moment nadenkt dat de Heer zal oordelen? Voor Paulus was dit nou juist een gigantische rust, waarin hij vertoefde: “Straks komt de Heer en dan wordt ik beoordeeld! Prijst God!” Die rust kwam niet voort uit het feit dat hijzelf zo´n lieverdje was. Hij noemde zichzelf de grootste van alle zondaren. Nee, hij kende die Heer, die straks gaat oordelen. Dat kennen van de Heer is meer dan voldoende!

1 Corinthe 4: 5 Oordeelt daarom niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht zal brengen en de overleggingen van de harten openbaar maken zal;
Momenteel weet ik ook wel dingen aan te wijzen in mijn doen en laten, wat ik verborgen zaakjes in het duister noem. Nee, ik ga ze niet noemen. Daarvoor zijn het nou juist verborgen zaakjes in het duister. Maar God gaat met Zijn oordeel daar dwars doorheen. O mensen, ik heb ook nog overleggingen van het hart!!! Dat wil je niet weten. Mocht je het wel willen weten, dan ga ik het je nog niet aan je neus hangen.

Maar wat gaat er gebeuren als de Heer gaat oordelen? Alle verborgen zaakjes in het duister worden in het volle licht geplaatst en alle overleggingen van mijn hart komen openbaar. Ik kan je zeggen dat wat er allemaal aan overleggingen in mijn bovenkamer rondgaan, daar lusten de honden geen brood van. Nee, mijn gedachten zijn niet altijd spic en span, integendeel! Maar alles komt in de openbaarheid!

Misschien dat je nu wel zegt: “Nou, je kan mooi kletsen over een Paulus, die nou juist rust vindt in het feit dat het oordeel in Gods hand is, maar hoed je nou maar als God alles in het licht plaatst en alles openbaart”. Ja, je verwacht donder en bliksem omdat je niet begrijpt wat het inhoudt dat alles in het licht komt. Alles komt bij dat oordeel onder de heerschappij van God en wat doet God? Donder en bliksem? Hel en verdoemenis?

1 Corinthe 4: 5 Dan zal iedereen Zijn lof (Letterlijk: Applaus) ontvangen van God.
Oordeel werkt dus heen naar het feit dat alleen datgene overblijft, wat applaus verdiend. Nee, niet verdiend door mij of door jou. Nee, dat applaus is voor het werk van Christus, Gods Zoon in jou en mij. Daar werkt God naartoe. Juist daarom is het zo ijzersterk dat het oordeel in Gods hand is. Het is geen vernietiging. Het is geen verwerping omdat wij het zo slecht gedaan zouden hebben. Nee! God zoekt het verlorene totdat Hij het gevonden en gered heeft. Het beginsel van de hele Schrift. Dat werkt vanzelfsprekend ook in Gods oordeel.

1 Corinthe 4: 6 Dit nu, broeders, heb ik om jullie als plaatje tot in mijzelf en Apollos toegepast, opdat jullie in ons zouden leren niet te denken boven wat er geschreven staat; opdat niemand zich opblaast vóór de één en tegen de ander.
Dus, wat Paulus hier in dit hoofdstuk tekent als zijn relatie met een God, die oordeelt, dat is feitelijk een plaatje voor ons om te ontdekken hoe God oordeelt, hoe God met ons omgaat. Hoe gaat God in Zijn oordeel met ons om? Genade en nog eens genade! Nee, dit hele plaatje in Paulus relatie met God leert ons om niet te denken boven die genade van God uit. Geen eigen werk! Het onderwijst ons om alles alleen van God te verwachten. Komen we hier achter, dan blijft er niks over om je verheven te voelen boven anderen, waarvan jij zou vinden dat je die moet oordelen. Het zuurdeeg verdwijnt. Je bent immers ongezuurd?

1 Corinthe 4: 7 Want wie onderscheidt (Letterlijk: door-oordeelt) jullie? En wat hebben jullie, dat jullie niet ontvangen hebben?
Wie oordeelt dwars door ons heen? Juist, dat ben jij niet die oordeelt over deze of gene broeder. Je hebt namelijk niks te oordelen. God oordeelt. Je kan zelfs niks oordelen want echt alles wat je hebt en bent, dat heb je ontvangen. Alles is genade en genade alleen. Die genade (en dus geen tucht, oftewel: eruit mieteren) is ook de basis voor het oordeel, zoals we het in 1 Corinthe 5 zullen tegenkomen.

Als u wilt reageren kunt u rechtsonder op 'CONTACT' klikken.

Startpagina